Mystiek en de Christelijke traditie


 

Inleiding

 

 

Mystiek is niet eenvoudig te omschrijven. Voor een filosoof of theoloog houdt mystiek iets anders in dan voor iemand die elke dag mediteert. Mystiek heeft bovendien in elke religieuze traditie een andere geschiedenis en een iets andere betekenis. Er zijn ook godsdiensten en/of godsdienstige stromingen die bepaald niet vriendelijk of soms zelfs vijandig stonden of staan ten opzichte van alles en iedereen rond mystiek. Dus christelijke mystiek verschilt van boedhistische mystiek, die weer zeer verschilt van niet-aan-een-godsdienst-gebonden mystiek enzovoort.

Een klassiek standaardwerk voor christelijke mystiek is 'Mysticism'. Het werd geschreven door Evellyn Underhill en in 1911 gepubliceerd. Hij definieert mystiek als volgt:

Uit historische en psychologische bronnen blijkt dat christelijke mystiek altijd gaat over de rechtstreekse ervaring van God. Een mysticus is iemand die in meer of mindere mate zo'n ervaring heeft gehad. Het is iemand wiens geloof en leven niet alleen gebaseerd is op de geaccepteerde geloofswaarheden en geloofspraktijk. Zijn geloof komt ook voort uit wat de mysticus beschouwt als persoonlijke kennis uit de eerste hand.

Deze definitie is uitgangspunt voor de korte geschiedenis van de christelijke mystiek hieronder.
Daarna volgt een artikel over het spanningsveld tussen persoonlijke en institutionele spiritualiteit.

Korte geschiedenis van de christelijke mystiek

De christelijke mystiek is sterk beinvloed door het denken van oude griekse filosofen als Plato en zijn opvolgers. Al vanaf het begin van het Christendom zien we deze invloed terug in het Evangelie van Johannes. De woorden en verhalen van Jezus worden door Johannes in een Neo-Platoons spiritueel, kosmologisch kader geplaatst, zoals al direct in het eerste vers van zijn evangelie duidelijk wordt:

In het begin was het Woord
en het Woord was bij God
en het woord was God.......
..

Rond de vierde eeuw na Christus, als het Romeinse Keizerrijk langzamerhand in verval raakt, trekken steeds meer mannen en vrouwen zich terug van alle 'wereldse zaken'. Ze gaan door middel van vurig gebed, meditatie, contemplatie en ascetisch leven, op zoek naar de ervaring van het heilige, naar de goddelijke aanwezigheid en de goddelijke genade.

Door de opkomst van het monnikendom krijgen christelijke spiritualiteit en mystiek een vanzelfsprekend 'thuis'. In kloosters en abdijen kunnen spirituele zoekers hun tijd en aandacht wijden aan spirituele wegen en mystieke ervaringen.

In de latere Middeleeuwen schrijven grote mystieken uit de monnikentraditie zoals Bernard van Clairvaux, in een mooie taal over hun mystieke ervaringen. Maar mystiek zal niet beperkt blijven tot slotzusters en monniken in hun abdijen. Bedelmonniken als Franciscus van Assisi, begijnen als Hadewijch, kluizenaars en veel andere mannen en vrouwen die, vaak in cellen tegen kerken aangebouwd, een ascetisch leven leiden, zoeken en vinden een wijze van leven waarin plaats is voor mystieke ervaringen.
Ook al kunnen maar weinigen buiten de kloosters lezen en schrijven, de Goddelijke Aanwezigheid beperkt zich natuurlijk niet tot de geletterde klasse of de professionele gelovigen. Catherina van Genua is een huisvrouw, Margery Kempe is huisvrouw en zaken vrouw en Jacob Boehme is een schoenmaker. Zij zijn inspirerende voorbeelden van leken die mystieke visioenen hebben gekregen.

Na de Reformatie en de opkomst van de moderne wetenschap en het daarmee gepaard gaande scepticisme ten opzichte van de goddelijke openbaring, raakt de mystiek in verval.
In de twintigste eeuw echter hebben enkele opmerkelijke gebeurtenissen bijgedragen aan een opleving van de mystiek. Daartoe behoren bijvoorbeeld de schokkende ontdekkingen van de moderne quantumfysica, die vaak meer doet denken aan oude mystieke principes dan aan de natuurkunde van Newton. Ook de interesse voor en de toegenomen bekendheid met de spirituele wegen van Oude godsdiensten, Oosterse godsdiensten, Stamreligies en Oerreligies, heeft mystiek in het brandpunt van de religieuze belangstelling geplaatst.

Er zijn tegenwoordig vele mogelijkheden om kennis te krijgen over of geraakt te worden door de spirituele en mystieke wijsheid van mystici uit godsdienstige en niet-godsdienstige stromingen. Ook de hedendaagse mystici op deze site hebben minimaal kennis genomen van mystieke wegen buiten het Christendom en hebben daar soms de invloed van ondergaan.

Juist de hedendaagse belangstelling voor mystiek leidt ertoe om opnieuw in de christelijke traditie te gaan zoeken. Dan blijkt dat de levens en de geschriften van de grote christelijke mystici uit verleden en heden meer dan voldoende in zich hebben om ons te inspireren en te helpen op onze eigen spirituele weg!

 

 

Het spanningsveld tussen persoonlijke geloofsbeleving en institutionele spiritualiteit.

Passages uit het artikel 'Spiritualiteit in Nederland' van Kees Waayman in het tijdschrift Speling 1998/4.

1 De spiritualiteit van aartsvaders tot europees christendom

De aartsvaders en -moeders
Vóór het volk Israël wegtrok uit de Egyptische overheersing, was er reeds volop spiritualiteit. We vinden haar beschreven in het boek Genesis. De geloofsbeleving van de daar beschreven randnomadische gemeenschappen cirkelt rond vruchtbaarheid, geboorte, ontwenning, huwelijk en dood. God, de Machtige die de gemeenschap en de personen daarbinnen draagt, is rechtstreeks betrokken bij de wording van de mens: Hij is de Levenskracht die de mens ten leven wekt, hem vormt in de moederschoot, hem geboren doet worden en hem het leven door draagt. In de eigennamen kunnen wij deze goddelijke nabijheid nog goed proeven: God-helpt, God-mijn-vader, God-mijn-moeder, God-mijn-verwant, God-mijn-vreugde.
In de wijsheidsspreuken die in deze gemeenschappen ontstaan zijn, is het genieten van het goede leven in een land dat overvloeit van melk en honing zeer belangrijk. De woning en het werk, goede onderlinge verhoudingen en de liefde zijn belangrijke thema's. Gastvrijheid staat hoog genoteerd en de levensoriëntatie wordt doorgegeven in verhalen.

Mozaïsche spiritualiteit
Vanaf 1200 V. Chr. komen boeren, herders en rondzwervende staatlozen in opstand tegen de uitbuiting door Egypte en de nietsontziende stadstaten. Zij vormen een tegenbeweging waarin gerechtigheid en vrijheid centraal staan.
Deze bevrijdingsbeweging komt in 1000 v. Chr. tot voltooiing in de staat Israël, met als hoofdstad Jeruzalem. In een proces van enkele eeuwen zien we hoe de mozaïsche bevrijdingsspiritualiteit zich institutionaliseert in tempelliturgie, wijsheidsscholen, profetengilden en koninklijke macht. De institutionele spiritualiteit domineert met haar grote verhaal over de uittocht en de intocht, de vestiging van koningschap, de heiligheid van de tempel en de hoofdstad.
Er komt een uniforme wetgeving. De rituelen worden dwingend opgelegd aan de plaatselijke gemeenschappen. De institutionele spiritualiteit wordt steeds dominanter en tracht door te dringen tot in het privédomein van de Israëlieten: naamgeving, huwelijk, sexualiteit, landbouw, veeteelt, geschiedenis, toekomst, wijsheid, kijk op leven en dood, oorlog en vrede, leger en belasting enzovoort.
Dit lukt natuurlijk niet helemaal. De persoonlijke geloofsbeleving gaat ondergronds en blijft voortleven in verhalen, spreuken, eigennamen en geloofsvoorstellingen.

Ballingschapsspiritualiteit
De ballingschap betekent het volledig echec van de institutionele vroomheid: de tempel gaat in vlammen op, de stad wordt verwoest, het koningschap uitgeroeid, de inwoners gedeporteerd. Het succesverhaal van Mozes en David verliest zijn geloofwaardigheid. De profetengilden met hun optimistische toekomstvisie ('Alles is in orde') worden als leugenaars ontmaskerd.
Het wonderlijke is, dat de persoonlijke spiritualiteit en de familievroomheid in de ballingschap een leidinggevende rol op zich nemen. Gebeden uit de persoonlijke vroomheid vormen de basis voor het rouwproces. Bij de samenstelling van de Tora plaatst men de Genesisverhalen vóór het Exodusverhaal. De profetische kritiek sinds Elia doorsnijdt voortaan de Koningenverhalen. Men vormt leerkringen waarin zonder institutionele bemiddeling gezocht wordt naar Gods bedoeling met de mens.

Vroomheid ná de ballingschap
De tempel herneemt na de ballingschap haar dominante rol. Jeruzalem wordt, met het kleine Juda eromheen, een tempelstaat. Weliswaar worden de leerkringen geïntegreerd binnen de tempelvroomheid in de vorm van het leerhuis, maar het patroon van de vastgestelde bedevaarten naar Jeruzalem (inclusief offers en tienden) geven de tempel (en daarmee de institutionele vroomheid) een monopoliepositie.
Pas wanneer in 70 na Chr. de tempel door de Romeinen wordt verwoest, herneemt de lekenspiritualiteit van de leerhuizen haar positie. Als zodanig heeft zij zich in het christelijke Europa gehandhaafd, ondanks meerdere pogingen haar uit te roeien.

Het vroege christendom
De eerste eeuwen van de christelijke spiritualiteit spelen zich grotendeels af buiten de directe invloed van de institutionele spiritualiteit.
Uit de evangelies komt Jezus van Nazareth naar voren als iemand die zijn geloofsintuïtie uitdrukt in verhalen en vergelijkingen die ontleend zijn aan het alledaagse leven van boeren en vissers. De eerste christengemeenten komen in de Paulusbrieven naar voren als kleine gemeenschappen van arme, ongeletterde mensen. Zij putten hun hoop uit het komende Rijk van God, dat zich dwars doorheen alle institutioneel geweld zal doorzetten. Jezus is vanwege zijn geloof in de komst van het Godsrijk vermoord.
In de eerste eeuwen van het christendom stierven velen voor dit geloof. Zij zijn de bloedgetuigen van Gods heerschappij temidden van institutioneel geweld.

Het europese christendom
Na het edict van Milaan in 313 kiest de hoofdstroom van het christendom de weg van de institutionalisering, ondanks het protest van woestijnmonniken, bedelbroeders en talrijke hervormers die de kerkgeschiedenis begeleiden.
De laatste eeuw, maar met name na Vaticanum II, wordt voortdurend gewezen op het belang van de lekenspiritualiteit. Daarbij wordt ook steevast opgemerkt, dat de lekenspiritualiteit ten onrechte naar de achtergrond werd gedrongen door de spiritualiteit van clerici en religieuzen. Door deze dominantie bleven belangrijk realiteiten (arbeid, opvoeding, huwelijk, sexualiteit, erotiek, eigendom, lichamelijkheid, zorg, gastvrijheid e.d.) buiten het perspectief van de spiritualiteit.
De 'traditie' geeft een gevarieerd beeld te zien wanneer het gaat om de verhouding tussen de leken-spiritualiteit (persoonlijke geloofsbeleving, familievroomheid e.d.) en de institutionele spiritualiteit (Groot-Israël-spiritualiteit, tempelspiritualiteit; kerkelijke spiritualiteit, e.d.). Soms domineerde de volksvroomheid, meestal de institutionele spiritualiteit. Zelden waren ze in evenwicht.

2 De spanning tussen persoonlijke en institutionele spiritualiteit.

Traditioneel werd het veld van de spiritualiteit ingedeeld in drie 'levensstaten': clerici, religieuzen en leken'. Deze driedeling, die teruggaat tot in de eerste eeuwen van het christendom, is terecht in onbruik geraakt doordat ze overhaast werd ingevuld en als een hiërarchische pyramide werd voorgesteld. Wanneer we deze valkuilen vermijden, kan ze ons helpen scherper inzicht te krijgen in wat er gebeurt binnen het veld van de spiritualiteit.

Institutionele scholen van spiritualiteit
De levensstaat van de clerici roept het veld op van de institutionaliteit: hiërachische ordening, sacramentele bemiddeling, leer- en leefregels, traditiebewaking en legitimatie.
In dit veld vinden we de zogenaamde 'scholen van spiritualiteit' (door Rahner een 'geistlich-soziologisches Gebilde' genoemd). Deze scholen zijn innerlijk hecht gestructureerd en bovendien stevig verankerd in de kerkelijke cultuur. In de reeks van scholen komen steevast voor: Benedictijnen, Franciscanen, Dominicanen, Karmelieten, Jezuïten, Salesianen, Redemptoristen. Bij uitbreiding spreekt men in diezelfde geest ook over katholieke, reformatorische en oosters-orthodoxe spiritualiteit.
Wanneer er een crisis uitbreekt binnen het veld van de institutionele spiritualiteit, openbaart zich deze doorgaans het eerst in de terugloop van de participatie. Zo zien we vóór de bloeitijd van de bedelorden (dertiende eeuw) een terugval van het toentertijd dominante en veel oudere benediktijnse en kanunniken model. Vaak is dit een signaal, dat er geen aansluiting meer is met de culturele context. Er is immers een hechte samenhang tussen de institutionele spiritualiteit en de maatschappelijke structuur. Deze raakt de school tot in haar constitutie: Het is de 'weg' zelf die beroerd wordt tot in zijn juridische constellatie door de historische context.
De nood van de tijd boetseert als het ware de vorm van de school, de verwoording van het doel en de keuze van de rniddelen: De spiritualiteit van de religieuze families wordt geraakt door 'de objectieve geest' van de tijd. Is een school niet meer in staat de ' tekenen van de tijd' te lezen, dan wordt ze irrelevant. Secularisatie op institutioneel niveau slaat toe. Alle eeuwen geven op dit punt hetzelfde beeld te zien. Na een tijd van inspiratie, volgt de zogenaamde 'tweede generatie', die het charisma organiseert, waarna een tijd van (vaak ook numerieke) bloei volgt. Tenslotte slaat de crisis toe: de vorm blijkt leeg, in ieder geval in relatie tot de cultuur, die nu juist zo essentieel is voor 'scholen van spiritualiteit'.

Lekenspiritualiteit als 'de andere godsdienst'
De lekenspiritualiteit tekent zich ten opzichte van de scholen van spiritualiteit af als elementair en vitaal, niet-professioneel en ongedocumenteerd.
Om bij dit laatste te beginnen: lekenspiritualiteit hult zich in stilzwijgen. Wat Vovelle na jarenlang speurwerk moest vaststellen met betrekking tot de volksreligiositeit, geldt ook voor de volksvroomheid en de lekenspiritualiteit: 'De geschiedenis die wij hier beschrijven, is een geschiedenis van de stilte. Niet alleen de betrokkenen zwijgen, ook de gevestigde samenleving houdt de stilte in stand'. We zien slechts het topje van de ijsberg. Wat zich aan ons oog onttrekt, is 'dat gedeelte van de ijsberg, dat zich onder water bevindt ... namelijk de volksreligiositeit waarvoor noch schrift noch afbeelding een plaats inruimt'. De leken-spiritualiteit laat geen grote literatuur of grootse modellen na, geen geschiedenis of een rijke architectuur, geen bibliotheken en kapellen. Zij laat haar spoor achter in het leven zelf van mensen.
Binnen de volksvroomheid staan de volgende thematieken centraal: vruchtbaarheid en opvoeding, gezins- en familieleven, lichamelijkheid en intimiteit, woning en arbeid, gemeenschap en kennissen, ziekte en dood. Door de officiële godsdienst wordt de volksvroomheid als 'de andere godsdienst' ervaren. Dikwijls wordt ze gezien als een onbewogen reservoir van passieve, behoudzuchtige, anti-intellectuele, gevoelsmatige, pragmatische, eeuwig 'heidense' houdingen. Niettemin tracht de institutionele vroomheid het 'heidendom' zo diep mogelijk te doordringen van haar structuren, voorstellingen en houdingen.
Binnen de joodse spiritualiteit heeft de lekenspiritualiteit zich altijd beter kunnen handhaven dan in de christelijke vroomheid waar de religieuze 'scholen' sterk domineerden. Tegen deze achtergrond is het niet verwonderlijk dat de joodse denker Levinas het veld van de 'innerlijkheid' (interiorité) percipieert vanuit de 'woning' (économie). Woning, lichamelijkheid, bij-zich-zijn en goddelijke Inwoning liggen in elkaars verlengde. Intimiteit en gastvrijheid, arbeid en bezit, vruchtbaarheid en dood komen van hieruit zinvol aan het licht. De visie van Levinas kan helpen de hoge score rond waarden als vrede, geluk, harmonie, liefde, gezondheid en vriendschap te duiden vanuit lekenspiritualiteit.

Mystiek leven als tegenbeweging
Onze blik op het religieuze leven is sterk bepaald door de grote religieuze instituten, die 'scholen van spiritualiteit' zijn.
Toen de driedeling clerici-leken-religieuzen ontstond, bedoelde men echter met religieuzen iets anders. Religieuzen waren de martelaren, mensen die hun leven gaven tot in de dood. Na de martelarentijd waren het de mensen die zich uit protest tegen de zich institutionaliserende staatskerk in de woestijn terugtrokken. Zij vormden tegenover de structuren van kerk en samenleving een tegenbeweging.
Diezelfde tegenspiritualiteit zien we bij de eerste monniken in Europa, bij de eerste bedelbroeders, bij iemand als Vincentius a Paulo en bij de stichters en stichteressen van congregaties. Zij doen ons herinneren aan het volk van Israël in de woestijn, aan Elia eenzaam op de berg Horeb, aan dissidente profeten en ballingen, aan Jezus van Nazareth in de woestijn.
Deze 'religieuze woestijnratten' of 'mystici' , onttrekken zich aan de institutionele kaders. Zij wonen aan gene zijde van de patronen. Het Oneindige heeft hen geraakt en geboeid. Er is geen ruimte meer voor iets anders. Franciscus valt uit het nest van de middenklasse door de kus van de melaatse. Hadewych wordt meegesleurd door de Minne. Ongezien leven ze in hun tijd, onbegrepen als Socrates en Kierkegaard. Soms verblijven ze jaren in de gevangenis of worden verbannen naar een onbewoond eiland.
Hier bij deze mystici blijkt steeds opnieuw de spiritualiteit het vruchtbaarst, ongezien en ongeacht maar eeuwig fris. De taal van Eckhart is springlevend, de gedichten van Jan van het Kruis zijn iedere dag weer nieuw. Het zijn mensen die verteerd worden door Zijn liefde. Zij leven in stilte. Aan gene zijde van kerk en kultuur is God hun leven.