Mechtild van Magdenburg 1212-1294


 

 

In de dertiende is Europa volop in beweging is. Het is een tijd waarin de bevolking toeneemt en de handel tot bloei komt. Pausen en bisschoppen eisen wereldlijke macht op. Ze besturen grote gebieden en hebben soldaten in dienst. De afstand tussen de kerk en het volk is groot en de kerk dreigt haar invloed te verliezen. De religieuze behoefte van het volk uit zich onder meer in allerlei vreemde rituele praktijken en in een uitgebreide relikwieënverering van echte en obscure heiligen. Ook ketterse bewegingen krijgen veel aanhang. De kerk probeert paal en perk te stellen door onder meer een lijst van authentieke heiligen samen te stellen, door haar visie op de sacramenten beter te formuleren en door in tal van in omloop zijnde rituele handelingen te schiften. De gekozen rituelen worden op schrift vastgelegd. De inquisitie treedt tegen ketters op.

Mechtild van Magdenburg 1212-1294

1212-1224 Jeugd en eerste visioen
Mechtild wordt in 1212 in Maagdenburg geboren uit bemiddelde, adellijke ouders.
Op twaalfjarige leeftijd wordt ze 'gegroet door de heilige Geest' - waarschijnlijk een eerste mystieke ervaring. Ze komt in aanraking met de armoedebeweging van Franciscus en wordt hierdoor sterk geinspireerd.

1232-1262 Begijn
Acht jaar later doet ze afstand van bezit, eer, familie en vriendschap om zo arm mogelijk als begijn te leven in Maagdenburg. Later schrijft ze hierover:

In het hart van Jesus is de wereld geboren.

Een jongere broer van Mechtild, Boudewijn, wordt na een zeer gedegen opleiding, later door bemiddeling van Mechtild subprior in het Dominicanenklooster in Halle.

Apostolische vrijmoedigheid
Mechtild schrikt er niet voor terug in sterke bewoordingen de godsdienstige en zedelijke ontaarding van haar tijd te veroordelen. Deze volgens Mechtild 'apostolische vrijmoedigheid' zet kwaadgezinden aan tot spot en laster. Degenen die haar goedgezind zijn bewonderen echter de beslistheid waarmee zij beweert dat zowel haar felle kritiek als haar visioenen rechtstreeks van God afkomstig zijn. Later schrijft zij:

Niemand is zo snel in zijn loop,
niemand is zo sterk van werkkracht,
niemand is zo listig met zijn pijl,
niemand is zo gevaarlijk in zijn toorn,
dat hij mijn hemel waarin ik woon
kan vernielen, afbreken of beschadigen.

Dertig jaar vervult Machtild haar miskende zending en verkiest strijd en onrustig avontuur boven gewaardeerde en onbekommerde vroomheid. Ze koestert zich niet in de verering en het vertrouwen dat zij van steeds meer mensen ontvangt. Ze wordt, zoals de vluchtelingen, ballingen, woestijnmonniken en kluizenaars, teruggebracht tot de Kern van het Leven. Daar, bij God, vindt zij haar troost en kracht. Op zijn bijstand blijft zij altijd hopen, ze is vol vertrouwen:
Twijfel en Godsliefde
Lange tijd heeft Mechtild met niemand gesproken over het aanhoudende gevecht tegen haar seksuele lusten, over de Godsliefde die als een geheimzinnige gloed haar lichaam verteert, over de vreugde tijdens haar opname in de onzichtbare goddelijke werkelijkheden. Zij sprak evenmin over haar angsten in slapeloze nachten als de twijfel haar overvalt.

Eia goede God, wat hebt Gij toch in mij gezien?
Gij weet toch zeer goed, dat ik een dwaas ben,
een zondig en arm mens naar lichaam en ziel.
Wat ik ervaar, zou Gij aan volmaakte mensen moeten geven,
die U hiervoor zouden verheerlijken.

Zij is bang dat ze slachtoffer is van heilig zelfbedrog.

Dan spreekt hij: Eia, Gij lieve duif, Uw stem is een snarenspel voor mijn oor, Uw woorden zijn specerijen voor mijn mond, Uw verlangens zijn de overvloed mijner gaven.

Dan spreekt zij: Lieve Heer, het moet zo zijn, gelijk de huisheer het gebiedt en uit alle macht slaakt ze een zucht zodat het lichaam wordt gewekt.

Dan spreekt het lichaam: Eia meesteresse, waar zijt ge nu geweest. Gij keert zo liefderijk terug, zo schoon en vol van kracht, zo vrij en zo gedachtenrijk. Uw verrukking heeft me al mijn smaak, mijn rust, mijn schoonheid en al mijn macht ontnomen.

Levenswerk: 'Das fliessende Licht'
Als Machtild niet langer kan zwijgen over haar zielstoestand, gaat zij naar haar biechtvader. Die vertelt haar dat ze dankbaar moet zijn en adviseert haar met vertrouwen en moed voort te gaan, want -zo schrijft zij zelf:

God, die mij geleid heeft, zal mij ook zeker beschermen.

Diezelfde biechtvader vraagt haar haar geestelijke ervaringen op te tekenen. En dit doen, vindt zij de ergste beproeving, want zij ervaart maar al te zeer:

welk een uitdrukkingsvermogen het vraagt om aan de vaak machteloos worstelende woorden het maskerachtige te onthouden

en vooral hoe moeilijk het is om weerstand te bieden aan het besef van eigen onwaardigheid en om toch vanuit Gods hart en mond haar boek te schrijven.

Toch gaat ze aan de slag en ze schrijft zes delen van het boek dat zij noemt 'Das fliessende Licht der Gottesheit', 'Het vloeiende licht van de godheid'.

1262 Klooster in Helfta
Als ze vijftig jaar oud is, treedt Mechtild in bij de Cisterciënzer-zusters van het klooster van Helfta, dat onder leiding staat van de abdis Geertruid van Hackeborn. Hier vindt zij de laatste dertig jaren van haar leven de rust voor een ongestoorde Gods-beschouwing.
Zij wil niet meer schrijven. Toch voldoet zij aan het verzoek van haar medezusters nog enige van haar ziels-ervaringen op te schrijven. Deze aantekeningen worden als 7de deel aan haar geschrift toegevoegd.

Dat ik U jaagde, was een drang in mij.
Dat ik U ving, dat was mijn begeren.
Dat ik U vond, verheugde mij.
Toen ik U wondde, werd Gij één met mij.
Kastijdt ik U, dan bent Ge in mijn macht.

Ik heb de almachtige God uit de hemel gedreven
en Hem benomen, zijn menselijk leven
en met ere aan zijn hemelse vader weergegeven.

1292 Laatste jaren
Als tachtigjarige voelt zij dat ze vreemd aan haar zelf is geworden. Zij herkent zichzelf niet meer. Ze is lichamelijk ernstig verzwakt 'door het voldoen van zware penitenties' en het élan van haar geest begeeft het. Zij voelt dat haar leven zich overbodig voortsleept. De genade koestert haar niet meer, en de geestdrift van haar jeugd zou ze niet meer kunnen verdragen:

Mijn pijn is dieper dan de afgrond,
mijn harteleed is wijder dan de wereld,
mijn angst is groter dan de bergen,
mijn heimwee rijkt hoger dan de sterren.
Want in al deze dingen kan ik U nergens vinden.

Haar medezusters schrijven later over deze laatste jaren:

Ofschoon in de stille uren, die zij ziek, blind en verdord doorbrengt in haar kloostercel, geen visioen haar opneemt in de heerlijkheid van de onzichtbare werkelijkheden; ofschoon ook de vreugde om de waargenomen eenheid met haar enige Beminde haar is ontnomen, blijft zij vol vertrouwen uitzien naar de eeuwige eenheid, die ze tegemoet gaat.

Haar ervaring met God is bloot geloof in God geworden. In haar verlatenheid weet ze Gods wil aanwezig. Zij schrijft:

Eia, mijn Heer, hoe stil Gij nu zwijgt.
Ik dank U, dat gij U zo lang niet meer toont.
Voor altijd en eeuwig moet Gij geprezen zijn.
Dat Uw wil geschiedt en niet de wil van mij.
Nu wil ik mijn intrek nemen in uw woorden,
die Gij gesproken hebt en ik in het christengeloof hoorde:
' Die Mij liefhebben, heb Ik lief:
Tot hen zullen wij komen, Mijn Vader en Ik,
en zullen bij hen verblijven'.

1294 Dood van Mechtild
In het jaar 1294, als Adolf van Nassau drie jaar keizer is en Coelestus V paus, sterft Machtild. Zij is 82 jaar oud.

In de geschriften van haar medezusters Mechtild en Geertruid van Hackeborn wordt zij kort na haar dood als heilige beschreven.

Van het klooster in Helfta restten enkele jaren geleden alleen nog wat muren Nu wordt het herbouwd en na eeuwen leven er ook weer nonnen in de traditie van toen.