Jan van Ruusbroec 1291-1381


 

De grote mystieke schrijver Jan van Ruusbroec is volgens velen de belichaming van de zuiverste en hoogste contemplatie in de vroomheidgeschiedenis van de Lage landen.

 

Jan van Ruusbroec 1293-1381

1293-1317
Ruusbroec is afkomstig uit het gehucht Ruusbroec vlakbij Brussel. Van zijn jeugd weten we niets. Over zijn moeder wordt verteld dat ze vroom was en toen haar kinderen zelfstandig waren, intrad in een klooster. Jan wordt vanaf zijn elfde jaar opgevoed door zijn oom Jan Hinckaert, die als priester verbonden was aan de kerk van Sint-Goedele in Brussel.

1317-1343
Ook Jan van Ruusbroec wordt priester en kapelaan aan de Sint-Goedele. Hij valt op door zijn eenvoud en wordt daar vaak om uitgelachen. Maar het maakt hem niet veel uit, want hij voelt zich vooral een toeschouwer, die zich het liefst terugtrekt om te mediteren, te studeren en te schrijven. Vooral de denkbeelden van de Beweging van de Moderne Devotie spreken hem aan. Daar wordt innerlijke spirituele verdieping belangrijker gevonden voor je geestelijke ontwikkeling dan uiterlijke rituelen. Jan is door één ding gefascineerd: de God die hij heeft leren kennen en over wie hij hoort spreken in de grote traditie van de vroomheid. Daarin herkent hij zijn eigen beleving. En die wordt steeds meer zijn eigen beleving, zijn eigen wereld. In die rijkdom wil hij anderen laten delen. Veel van zijn brieven en andere werken uit deze tijd zijn verloren gegaan.

Pasen 1343
Brussel in de veertiende eeuw is een stad vol tegenstellingen; een pralende adel, doodarme volksbuurten naast riante handelshuizen, en overal kerken en kloosters, waar de vroomheid maar al te vaak niet meer dan een facade is. Het wordt Ruusbroec allemaal teveel. De drukte, de rijkdom, de handelaren, de hypocrisie van de geestelijke stand en het uiterlijk vertoon houden hem af van waar hij werkelijk mee bezig wilde zijn. Hij schrijft:

Bij de dwaasheden die tegenwoordig in de kloosters heersen is nu weer een nieuwe gekomen: de zilveren ceintuurs, met daaraan rare tierelantijnen en blinkende opschik, zodat de dame - ik bedoel: de non - rinkelend rondloopt als een met belletjes opgedirkte geit. De monniken zitten te paard als ridders, met een lang zwaard aan hun gordel. Maar tegenover de duivel en de wereld, tegenover hun hartstochten, hun onkuise, slechte begeerten staan ze ongewapend, en zijn ze haast altijd de verliezer

Samen met twee andere priesters van de Sint-Goedele -onder wie zijn oom, die ook proosdij is van Groenendaal bij Hoeilaart in het Zoniënwoud (even ten zuiden van Brussel)- besluit hij zich als kluizenaar in het Zoniënwoud terug te trekken. Welk tijdstip is daar meer geschikt voor dan de Paasweek van het jaar 1343? Ruusbroeck is dan vijftig jaar, de jubileumleeftijd, de leeftijd van de geestelijke volheid.

 

 

 

1343-1349
Vermoedelijk heeft de kluizenarij er uit gezien als een boerenhoeve met rieten dak en witte muren, een eenvoudig gebouw, bestemd voor arbeid en gebed. Daar kan Ruusbroec in alle rust te schrijven, helder, intens, in begrijpelijke mensentaal.

Dank zij Gods handelen en de kracht van de liefde zinkt onze geest weg in God, verliest zich in hem en wordt God op zijn beurt geraakt. Uit dat wederzijdse contact ontstaat het liefdesgevecht: op het diepste punt van de ontmoeting, op het meest intieme, meest levendige ogenblik wordt elke geest van liefde gewond tot het uiterste.

1349-1381
De kluizenarij groeit als kool en Jan en zijn medebroeders besluiten te gaan leven volgens de regels van Augustinus. Op 13 maart 1349 is het zover en Jan wordt de eerste prior van het Augustijnenklooster. Dit blijft hij tot aan zijn dood. Gaandeweg wordt hij door zijn tijdgenoten 'de goede prior van Groenendael' genoemd, omdat hij zo open staat voor iedereen die bij hem aanklopt om raad of steun.

Ruusbroec spreekt als iemand met gezag. Hij weet iets en wil dat aan anderen doorgeven. Wat hij weet is niet het resultaat van studie, maar van ervaring. Hij beschrijft de innerlijke weg die hij zelf is gegaan en nog steeds gaat om te komen tot God. Die weg is betrouwbaar, want ingegeven door God zelf. Wat hij weet, komt voort uit het werken van God zelf in hem en in de hele schepping. De kosmos, alle dingen en de mens daarin zijn opgenomen in God. Het hangt alles in God, zegt hij. Of wij ons daarvan bewust zijn of niet, of wij nu goed of slecht leven, wij en alle dingen 'hangen' in Gods wezen, alleen al door het loutere feit dat wij er zijn.

De wilde zee waaruit alle goed is gevloten en mateloos binnen gebleven. De brandende klare zon die het rijk van de ziel doorlicht. De grondeloze draaikolk waar alle geesten in hangen en verzonken zijn in verlorenheid. De levende bron die stroomt. Van alle geschapen dingen de oorzaak en het oerbegin.

Ruusbroec heeft zijn echte bestemming gevonden. Hij is de ziel van de gemeenschap. De anderen verwachten dat hij hen op weg helpt, raad geeft. Hij moet uitleggen, hij heeft gezag, zijn boeken raken bekend, en zijn klooster stroomt vol met nieuwe monniken. Mensen ondernemen lange reizen om met hem te praten. Hij staat hen te woord, geduldig, maar een enkele keer klinkt het, na lang zwijgen, doodeenvoudig:

Vandaag heb ik niets te vertellen.

Een paar studenten uit Parijs willen van hem weten hoe je heilig kunt worden.

Je bent net zo heilig als je zelf wilt, is het antwoord.

De ontmoeting met God is de vervulling van ons bestaan. Hoe bereik je God?

Zoek hem waar hij is: niet hoog verheven boven ons, maar diep in ons, in ons eigen wezen. Keer je naar binnen, in jezelf, laat alles los en je zult hem vinden.

God is geest. Wil een mens God bezitten, dan moet hij zich laten vallen in de loutere beeldloosheid die God is.

Zoals het licht van de zon in de lucht is, zo is God altijd in het wezen der ziel. Keren wij in tot dat wezen, dan worden wij onmiddellijk met God verenigd in een eenvoudig weten van alle waarheid en een wezenlijk smaken van alle goed.

Het liefst trekt hij het woud in om te mediteren en te schrijven. Hij bewondert de natuur. God is immers als een zon die alles verlicht, als ruisende wind, als stilte. En als hij 's nachts niet meer terugkeert, vinden ze hem, diep in het bos, gehuld in een geheimzinnig licht. Onder een linde zit Ruusbroec, de glans van zijn innerlijk straalt af op de natuur om hem heen. Zo heeft het nageslacht hem graag willen zien: verborgen in zijn eigen licht.

Verhef dan Uw ogen boven de rede en boven elk beoefenen van de deugden en beschouw met een liefhebbende geest het levende leven dat de oorsprong en de oorzaak is van alle leven. Zie het aan als de heerlijke afgrond van Gods rijkheid en de levende bron waarin wij ons met God verenigd voelen." "Daar moeten wij blijven, onverdeeld, leeg en beeldloos. Daar, in niet-weten en in donkerheid, is niets anders dan een grondeloos schouwen: wat wij aanschouwen dat zijn wij, en wat wij zijn, aanschouwen wij.

2 december1381
Zo leeft Ruusbroec zijn dagen, tot op hoge ouderdom. Hij wordt achtentachtig jaar. Dan verdwijnt hij in de stilte waaruit hij voortkwam, verdwijnt achter zijn boeken de man die geloofde dat de vervulling van ons leven niet is gelegen in carrière maken en het verrichten van grote dingen, maar in de vereniging met de grond van alle werkelijkheid.

Altijd zullen wij met God verenigd blijven, en met God en alle heiligen eeuwig uitvloeien in alomvattende liefde, en altijd weer inkeren in dankbaarheid en lofprijzing, en in gebiedende liefde aan onszelf ontzinken in wezenlijke rust, dit is het rijkste leven dat ik ken.

Tenslotte, na zich bij zijn broeders te hebben aanbevolen, sterft hij op 2 december 1381, helder van geest, stralend, in vrede, met een lichte zucht en zonder teken van doodsstrijd.

Na zijn dood
In 1908 wordt hij door paus Pius X zalig verklaard. In de Vlaamse bisdommen wordt Jan van Ruusbroec elk jaar op zijn sterfdag 2 december als Joannes de Wonderbare gevierd.

Werken

Van zijn werken zijn elf geestelijke boeken en zeven brieven bewaard gebleven.

Tot zijn boeken behoren onder meer 'Het boek van de Ultieme waarheid' en 'De Glinsterende Steen.
Zijn bekendste boek is 'De gloed van de geestelijke bruiloft' en beschrijft de relatie tussen de drie-ene God en de gelovige als die tussen de bruidegrom en zijn bruid. Als uitgangspunt voor zijn weg van geestelijke verdieping neemt Ruusbroec vers 6 uit hoofdstuk 25 van het Evangelie van Matteus: 'Zie de bruidegom komt eraan. Ga hem tegemoet'. Via drie stadia kan de mens God ontmoeten: het werkende leven, het innerlijke leven en het aanschouwen van God.