Woestijnvaders Antonius en Cassianus ca. 250-450
Vanaf het begin van de 3de eeuw zijn er in de woestijnen rond de
Middellandse Zee mensen die er in slagen in de woestijn te overleven.
Zij keren zich af van de woestenij die de bewoonde wereld volgens hen
geworden is, want daar zijn mensen zozeer verwikkeld in allerlei
verbanden dat ze niet meer aan God toekomen. Deze woestijnmonniken
worden 'woestijvaders' genoemd.
Een woestijnvader verlaat alle maatschappelijke zekerheden en belangen
om de woestijn in te trekken. In de eenzaamheid hopen ze, van alles
gezuiverd, door God gevonden te worden. Daar kunnen zij de werkelijkheid
anders beleven. God wordt niet in het verlengde van onze eigenlijke
menselijk orde gevonden, maar daar dwars doorheen. Zo is de woestijn de
plek van waaruit nieuwe mogelijkheden geboden worden. De vernieuwing
'vanuit God' realiseert zich niet volgens de vertrouwde patronen.
Integendeel, desintegratie is voorwaarde om tot die nieuwe werkelijkheid
te komen.
Antonius Abt: ca. 250-350
Leven Over het leven van Antonius is betrekkelijk weinig
bekend. We weten alleen dat zijn leven in de woestijn een voorbeeld
geworden is voor velen. Athanasius, geestelijk leider van de christenen
in Alexandrie, beschrijft het leven van Antonius Abt en daaruit halen we
het volgende:
Aan het einde van de derde eeuw hoort de 20-jarige Antonius een stem:
Ga verkopen wat u hebt en geef het aan de armen en u zult een schat
hebben in de hemel. Kom dan terug om mij te volgen.
Deze woorden raken hem, hij verkoopt zijn erfenis en trekt zich terug in
de woestijn. Hij sluit zich op in een verlaten burcht zonder enig
contact met de buitenwereld. Hij voelt zijn innerlijke onrust en gaat de
confrontatie aan met zijn duistere kant. Hij is alleen met God. Mensen
die voorbij de burcht komen, horen dat daar een felle strijd woedt. Is
het een strijd met demonen? Een krachtmeting met de machten van het
onbewuste, die tekeer gaan als wilde beesten? Als mensen zich met geweld
toegang tot de burcht verschaffen, komt hen een man tegemoet die
ingewijd is in grote geheimen en door God bezield. Dan trekt Antonius
zich nog dieper terug in de woestijn. Maar ook daar zal hij niet alleen
blijven.
Abt van woestijnmonniken Zijn voorbeeld vindt navolging. Als
asceten leven zijn volgers afzonderlijk in cellen die op enige afstand
van elkaar liggen, maar ze vormen toch een gemeenschap rond hun
leermeester Antonius. Ze komen ten minste eenmaal per week bij elkaar en
houden dan een leergesprek. Het is een gezamenlijke zoektocht naar
inzicht doordat iedere monnik op zijn beurt eigen zienswijze en
argumenten naar voren brengt. Een verslag van een van die leergesprekken
is bewaard gebleven.
In dat leergesprek staat de vraag centraal: welke deugd of praktijk
brengt de monnik met vaste tred naar de top van de volmaaktheid?
Sommigen zien vasten en waken als de kortste weg naar volmaaktheid.
Anderen stellen: wie zich losmaakt van alle dingen, armoede dus, wordt
door geen enkele band meer tegengehouden en kan ongehinderd God naderen.
Weer anderen zien de afzondering en de eenzaamheid in de woestijn als
het meest doeltreffende middel. Voor anderen is de liefde voor de naaste
het meest doeltreffende middel.
Dan neemt Antonius het woord:
We hebben monniken tot het uitersten zien vasten en waken, zich
verbazingwekkend zien afzonderen, zich extreem zien onthechten in
armoede, met de grootste toewijding gastvrij zien zijn, maar ze gingen
ten gronde aan hun eigen handelen. Waarom? Ten eerste: ze onderkenden de
ware beweegredenen van hun handelen niet. Ten tweede: ze bleven vaak
halverwege steken. Ten derde: ze stortten in elkaar. Wat was de oorzaak
dat zij misleid werden en ten val kwamen? Zij misten de onderscheiding
en doorzagen hun eigen motieven niet. De onderscheiding behoedt iemand
voor extremiteiten, onderwijst de monnik de koninklijke middenweg, helpt
hem door te zetten.
Antonius onderbouwt zijn opinie met een citaat uit de Schrift:
De lamp van het lichaam is je oog. Als dus het oog helder is, zal
heel je lichaam helder zijn. Is echter je oog troebel, dan zal heel je
lichaam duister zijn' (Mat. 6,22-23).
Tenslotte laat Antonius met voorbeelden uit de Schrift zien hoe gebrek
aan onderscheiding tot verderf voert en hoe de onderscheiding naar het
leven leidt. Deze voorbeelden uit de Schrift maken duidelijk:
Zonder de genade van de onderscheiding kan geen deugd volmaakt zijn
of standhouden.
De ware voortgang op de weg die naar volmaaktheid voert is aards, dus :
Als je ziet dat een monnik op eigen kracht de hemel wil bereiken,
grijp hem dan bij zijn voeten en trek hem naar beneden, want hij zal er
geen baat bij hebben.
Cassianus ca.360-435
Leven
Cassianus is een Romein van geboorte, maar waar hij geboren is en uit
welke familie is onbekend. Als jongeman trekt hij, samen met zijn grote
vriend Germanus naar het Heilig Land, waar ze rond 380 intreden in een
klooster in Betlehem. Daar horen ze van de woestijnmonniken en na enkele
jaren sluiten ze zich bij een kluizenaarsgemeenschap in Egypte aan.
Na jaren in eenzaamheid en meditatie te hebben geleefd, brengt juist het
gedachtegoed van woestijnvaders zoals Antonius hem terug naar de
bewoonde wereld. Er ontstaat een ernstig theologisch conflict over dat
gedachtegoed en na 15 jaar moeten ze vluchten.
Terug in de wereld worden hij en zijn vriend Germanus medewerkers van de
vurige bisschop Johannes Chrysostomus in Constantinopel, het huidige
Istanbul. Chrysostomos (= 'Gouden mond' ), die zoals altijd geen blad
voor zijn mond neemt, raakt in conflict met de keizerin. Hij en zijn
medewerkers vluchten in 404 naar Rome. Cassianus raakt daar bevriend met
de later paus Leo de Grote. Hij sticht een mannen- en een
vrouwenklooster in Marseille. Daar draagt hij zijn inzichten en
ervaringen over aan de monniken die zich rond hem verzamelen.
Cassianus schrijft zijn ervaringen op, zodat anderen daar hun voordeel
mee kunnen doen. Zijn geschriften en die van zijn medebroeder Athanasius
zullen tot de bestellers der oudheid gaan behoren. Zij vormen de basis
van het monnikendom in West-Europa. Cassianus wordt 'de vader van het
kloosterleven in West-Europa' genoemd.
Geschriften
In zijn boek 'Institutiones' (= 'Instellingen') beschrijft Cassianus de
gewoonten en tradities van de woestijnvaders. In zijn boek 'Collationes'
(= 'Gesprekken') nemen we kennis van de gesprekken van woestijnvaders
over de openheid waartoe een mens moet groeien om in contact te komen
met God. Vasten en waken zijn daarbij geen doel op zich. Het gaat om het
bereiken van een zo groot mogelijke openheid en transparantie, om ruimte
te scheppen voor God.
Zo noteert Cassianus een gesprek met de woestijnvader Abraham, die de '
geestelijke weg' vergelijkt met de bouw van een koepelgewelf. Bij iedere
steen die de metselaar legt, bij iedere omtrek die hij maakt, laat hij
zich leiden door een uiterst precies middelpunt. Laag na laag wordt rond
dit middelpunt de koepel opgetrokken. Horizontaal en verticaal ontstaan
rondingen rond dit ene middelpunt. Hoe meer de bouw vordert, hoe meer
het onzichtbare midden zichtbaar wordt dat de koepel van binnenuit
vormt. Zoals het Midden van de koepel niet in het platte vlak ligt, zo
ligt ook het centrum van het religieuze leven buiten het vlak van onze
menselijke manipulatie. Het is daarom belangrijk dit Midden open te
houden. Op het moment dat wij het contact met het Midden verliezen of
zelf de plaats van dit Midden innemen, verliest dit gebouw zijn
werkelijke centrum, dat alleen in God gelegen is.
Wie tracht te bouwen zonder naar dit midden te kijken, zal hoe
vaardig of begaafd hij ook meent te zijn, onmogelijk de regelmatige
ronding zonder fout bewaren of uit kunnen maken hoeveel hij van de
volkomen ronding is afgeweken.Telkens moet hij terugkeren naar die
wijzer van de waarheid. Zich daarop richtend corrigeert hij de in- en
uitwendige omtrek van zijn werk. In een punt ligt de leidraad van
zijn brede en hoge bouw.
Werken van Cassianus worden tijdens de Middeleeuwen de meest verspreide
lectuur na de Bijbel.
Een overweging bij de woestijnvaders Antonius en cassianus:
De woestijn is een plaats waar je niet omheen moet gaan, maar waar je
dóórheen moet. De woestijn is een situatie van overmacht en van
uitdaging tegelijkertijd. Het gaat er niet alleen om te overleven, maar
vooral om weer te leven.
De woestijn is een plek van loutering en dus ook van vernieuwing.
De woestijn is te vinden in het leven van iedere mens.
Die woestijn ligt open en bloot vóór ons, waar franje, comfort en
opsmuk wegvallen
en waar het leven zich concentreert op de essentie.
Dààr en nergens anders nemen wij de kernbeslissingen in ons leven.
Oog in oog met de naakte werkelijkheid omtrent onszelf en de wereld
om ons heen, worden de bakens verzet en vindt het leven een nieuwe
bedding.
De woestijnvaders tonen ons het on-geziene, het on-gehoorde, het
on-vermoede en on-verwachte in ons zelf, in anderen en in de omringende
wereld.
|