Augustinus 354-430
Aurelius Augustinus 354-430
Augustinus is een man die in de geschiedenis van het westerse denken
eenzaam uit de omringende eeuwen omhoog rijst, zoals Thomas van Aquino
in de dertiende eeuw. Schrijver is hij, bisschop, theoloog, stichter van
een bloeiende kloostergemeenschap. Een man die meer dan negentig boeken
en boekjes schreef, talloze brieven en naar schatting achtduizend
preken. Een man die in de geschiedenis van het christendom een
ongehoorde invloed heeft gekregen.

354 Jeugd in Thagaste Aurelius Augustinus wordt op 13 november
354 geboren in Thagaste in Numidie, de huidige Algerijnse plaats
Souk-Ahras. Hij groeit op in de reeds door het christendom beïnvloedde
Romeinse cultuur van Noord-Afrika, een gebied dat in die tijd de
graanschuur van Rome was. Zijn vader, de decurio Patricius, is nog
heiden maar zijn moeder Monica is al gedoopt. De bekeringsdrang van
Monica heeft tenslotte succes. Op zijn sterfbed - kort nadat Augustinus
is gaan studeren in Carthago - laat Patricius zich dopen. Maar bij zoon
Augustinus lukt dat minder: als jongeman moet hij niet veel van het
christendom hebben. De bijbel vindt hij volstaan met primitieve mythen,
die ook nog in een onliteraire taal opgeschreven zijn.
Augustinus ouders behoren tot de middenklasse, welvarend genoeg om grote
ambities voor hun zoon te koesteren, maar met te weinig middelen om een
universitaire studie te bekostigen. Een rijke vriend van de familie,
Romanianus, springt bij omdat hij in de felle, intelligente jongen een
toekomstige leraar en wellicht wetenschapper ziet.
We weten weinig over de jeugd van Augustinus behalve wat hijzelf
daarover schrijft in zijn autobiografische 'Belijdenissen'. Daarin komt
hij naar voren een gewoon kind dat goed kan leren, graag een compliment
krijgt van zijn ouders, maar ook regelmatig kattenkwaad uithaalt met
zijn vrienden.
ca 367 Studie in Madaura Augustinus gaat studeren in Madaura
vlakbij Thagaste. Daar leest en bestudeert hij met plezier latijnse
schrijvers als Cicero en Vergilius (latijn is de taal van handel en
cultuur in het Romeinse Rijk), maar hij houdt niet zo van de griekse
taal. Al gauw is de talentvolle Augustinus 'uitgeleerd' in Madaura en
hij vertrekt naar Carthago, het toenmalige wetenschappelijke centrum van
Noord-Afrika.
ca 370 Studie in Carthago Studerend in het boek Hortensius van
Cicero (dat verloren is gegaan en we alleen nog kennen uit citaten bij
o.m. Augustinus) laait het vuur in de jonge Augustinus op. De Hortensius
is een inleiding op de filosofie, geschreven om de lezer enthousiast te
maken voor filosofische vragen. Dat is wat Augustinus zoekt, dat wordt
het terrein waar zijn gaven zich kunnen opbloeien. Hij gaat op zoek naar
de waarheid, naar de zuivere kennis, al is dat in die tijd
vanzelfsprekend verbonden met godsdienstige antwoorden. Cicero is
daarbij zijn grote voorbeeld, door wie hij niet alleen sterk beïnvloedt
wordt in zijn (rationele) denken, maar ook in zijn taalgebruik en stijl.
371-384 Vriendin en kind In diezelfde tijd ontwaakt ook zijn
belangstelling voor vrouwen. Hij krijgt een vriendin, met wie hij als
zeventienjarige een zoon krijgt: Adeodatus, 'door God geschonken'.
Augustinus blijft de vrouw wier naam hij in zijn geschriften niet wil
noemen, bijna vijftien jaar trouw. Pas als er een huwelijk moet komen en
zijn vriendin door haar lagere afkomst geen kandidate is, stuurt hij
haar weg. 'Op de plek waar mijn hart aan haar had gehangen, was het
stukgetrokken en verwond en bleef het maar bloeden', schrijft Augustinus
in zijn Belijdenissen. Adeodatus blijft bij Augustinus wonen tot hij,
bijna volwassen, onverwacht sterft.
371-386 Aanhanger van het Manicheïsme Bij het manicheisme
vindt hij een tijd lang het antwoord op zijn zoeken. Deze uit Perzië
afkomstige religieuze stroming -met de profeet Mani als verlosser- is in
die tijd een grote concurrent van het Christendom. Ze beschouwt de
wereld als een kosmisch strijdtoneel van de volmaakt goede Schepper, die
licht en geest is, en de volkomen slechte, donkere en stoffelijke
Vernietiger. De mens overkomt allerlei goede en slechte dingen, maar
zelf is hij daar niet voor verantwoordelijk en dus daaraan ook niet
schuldig. De mens kan wel de strijdende krachten van goed en kwaad
beïnvloeden. Door manicheeër te worden en volgens hun regels te leven,
stond je aan de goede kant en zou je tenslotte beloond worden met de
eeuwige zaligheid. Enkelen van de Manicheeërs zouden de volmaaktheid al
bereikt hebben. Augustinus wordt een kleine tien jaar geboeid door
deze stroming. Dat heeft te maken met hun opvattingen, maar
waarschijnlijk meer met de vrolijke, intellectuele en speelse
kameraadschap die hij er ervaart. Dit duurt totdat hij de grootste der
Manicheeërs, Faustus, ontmoet en in zijn gesprekken met hem ontdekt dat
hij een charlatan is. Later zal Augustinus het Manicheisme fel
bestrijden.
ca 376 Leraar in Thagaste Augustinus begint zijn loopbaan als
leraar in zijn geboorteplaats Thagaste, maar al na een jaar verhuist hij
opnieuw naar Carthago. Thagaste is teveel een provinciestadje voor zijn
grote gaven.
377- 384 Professor in Carthago In Carthago wordt hij al snel
een beroemd retor. Wij zouden zijn beroep professor in de Filosofie en
de Retorica (=welsprekendheid) noemen. In Augustinus' tijd zijn
professoren vrije ondernemers, die per keer door hun studenten worden
betaald. Het is moeilijk om je staande te houden, want de studenten zijn
luidruchtig en lastig en proberen van alles om onder het lesgeld uit te
komen. Augustinus lukt het wonderwel en hij wordt zelfs welvarend. Maar
na zeven jaar heeft hij er schoon genoeg van. Hij wil naar Rome, naar
het 'centrum van de beschaving' van het Romeinse Rijk. Het feitelijke
machtscentrum is dan al naar Constantinopel verplaatst en alleen
uiterlijk is Rome nog het centrum.

384 Carrière in Rome Augustinus bereikt waarvoor hij
komt: een belangrijke baan bemachtigen via de prefect, de machtigste man
van Rome. Hij wordt benoemd tot professor in de Retorica aan het
keizerlijk hof in Milaan. Deze positie wordt in die tijd beschouwd als
de belangrijkste academische stoel in de latijnse wereld en algemeen
gezien als een opstap naar een invloedrijke politieke carrière. Maar het
loopt anders.
384 Professor en adviseur aan het keizerlijk hof in Milaan De
inmiddels 30jarige Augustinus is een man van aanzien geworden en daar
hoort een vrouw-van-stand bij. Moeder Monica arrangeert een
society-huwelijk, maar de bruid is nog te jong. Augustinus moet wachten
en stelt zich ondertussen tevreden met een minnares.
Maar het gaat niet goed met hem. Het afscheid van de moeder van zijn
zoon, de teleurstelling van het Manicheisme, de toenemende leegheid van
zijn Retorschap - later zal hij zichzelf vol walging als
'woordenverkoper' beschrijven- het hofleven in Milaan, langzaam maar
zeker raakt Augustinus vast in zijn zoektocht. Hij wordt ook nog ernstig
ziek en ziet zich gedwongen zich terug te trekken van alle dagelijkse
beslommeringen.
Het is de invloed van de beroemde bisschop Ambrosius van Milaan die zijn
zoeken weer richting geeft. Ambrosius wist in zijn preken een
aantrekkelijke verbinding te maken tussen de Antieke Cultuur en het
Christendom. Augustinus' weerstand tegen het primitieve mythische geloof
van de christenen begint af te brokkelen. Het wordt hem duidelijk dat de
bijbelse verhalen verbeeldingen zijn van het onrustige zoeken naar
antwoorden in God. Daarnaast verdiept hij zich grondig in het leven en
de werken van de woestijnmonnik Antonius.
Zomer 386 Bekering tot christen In de zomer van 386 hoort hij
in een tuin in Milaan een kinderstem zingen: 'tolle, lege' - 'neem en
lees', waarna hij de bijbel die voor hem ligt openslaat en op hoofdstuk
13 van de brief van Paulus aan de Romeinen stuit: over de liefde die de
wet vervult. Dit wordt de aanleiding om zich grondig in de bijbel te
verdiepen en vervolgens tot het christendom te bekeren. Hij ziet af van
zijn huwelijk, neemt ontslag uit zijn baan en trekt zich met zijn
moeder, zijn zoon en enkele gelijkgestemde vrienden terug op het
landgoed Cassiacum in de buurt van Milaan. (Zie ook de
bekeringsgeschiedenis bij de teksten van Augustinus).
Pasen 387 Doop Samen met zijn zoon Adeodatus en een vriend
Alypius wordt hij door bisschop Ambrosius in de paasnacht gedoopt. Kort
daarna sterft Adeodatus.
Najaar 387 Dood van moeder Monica Augustinus, zijn moeder en
zijn vrienden besluiten terug te gaan naar het familielandgoed bij
Thagaste, om daar een leven te gaan leiden van studie, bezinning en
gebed. Bij de haven Ostia (bij Rome) wordt het gezelschap opgehouden
door de perikelen die zijn ontstaan door de moord op de keizer, die op
dat moment in Milaan verbleef. Het hele land is in rep en roer. Tijdens
de tijd van wachten in de haven van Ostia overlijdt Monica. (zie bij
teksten van Augustinus)
388 Monnik in Thagaste Met zijn vrienden en zijn leerlingen
sticht Augustinus een christelijke gemeenschap van studie en gebed. Het
is een soort van monnikenklooster. Hier begint hij te schrijven aan zijn
grote werken.
391 Priester in Hippo In 391 wordt hij door het volk van het
noordafrikaanse kuststadje Hippo Regius (nu: Bóne), 60 km van Thagaste,
gevraagd presbyter (priester) te worden. Door de bisschop van Hippo
worden hem de handen opgelegd.
395 Bisschop van Hippo Als de oude bisschop sterft, wordt
Augustinus zijn opvolger. Hij is met hart en ziel een echte pastor voor
de mensen van zijn bisdom tot aan zijn dood.
Zijn preken worden al gauw wereldberoemd.
Hij werkt in een woelige tijd, waarin de christenen onderling sterk
verdeeld zijn en het Romeinse Rijk op instorten staat. Met een
koortsachtige ijver pleit, preekt, schrijft en reist hij. Hij wordt niet
alleen de belangrijkste theoloog van het westelijke christendom, maar
ook zijn belangrijkste verdediger: - tegen het manicheisme (de mens
is wel degelijk zelf verantwoordelijk voor zijn fouten), - tegen het
donatisme (ook zware zondaars kunnen vergeving krijgen en hoeven dan
niet opnieuw gedoopt te worden, het christendom is er niet voor een
handjevol zuiveren alleen) - tegen de heidenen (niet het christendom
is de schuld van de val van Rome in 410). - tegen het pelagianisme
(vrije wil wordt beperkt door de erfzonde, genadenleer)
28 augustus 430 Sterfdag van Augustinus Augustinus wordt ziek
en sterft terwijl Hippo omsingeld is en belegerd wordt door de
Visigothen. Kort daarna wordt Hippo ingenomen en tot hoofdstad gemaakt
van een koninkrijk dat 100 jaar standhoudt.
Veel te laat heb ik jou liefgekregen...........
Arjan
Broers schrijft in 'Dwarsliggers' over Augustinus:
Augustinus is een rusteloos denker die zich steeds naar binnen keert om
zichzelf te onderzoeken. Tegelijk is hij zelden of nooit alleen. Hij is
een man die de verbinding zoekt, altijd en overal. Hij is sterk
doordrongen van de gedachte dat eenheid de grondnotie is van de
schepping, en dat de liefde van God, die in Jezus zo transparant
aanwezig was, heel maakt. Hij gelooft letterlijk hartstochtelijk dat die
eenheid een dynamische kracht is, die stroomt en in beweging zet.
Tegelijk weet hij heel goed dat leven zeer kan doen. Vriendschappen
verflauwen of worden verbroken, geliefden sterven en in een mensenhart
kunnen haat, angst en zelfzucht huizen die ervoor zorgen dat je het
benauwd krijgt, omdat je afgesneden bent van de adem van God.
Maar: wat maakte nu dat het kwartje viel? Wat zorgde ervoor dat
Augustinus' onrustige zoeken richting kreeg, waardoor hij tot bloei kwam?
In een beroemde passage uit zijn Belijdenissen is daar een antwoord op
te vinden. De trotse, vurige Augustinus kon zich eindelijk overgeven aan
Degene die hem al zo lang uit alle macht wilde bereiken. In zijn zoeken
naar innerlijke vrede realiseerde hij zich dat het wezen van God liefde
is, en dat God al in zijn eigen diepste wezen woonde. Wie in liefde
leeft, kan zich laten dragen en is ten diepste verbonden: in eenheid met
zichzelf en met anderen, ook in de gebrokenheid van het leven.
(In een vertaling van Huub Oosterhuis)
Veel te laat heb ik jou
liefgekregen, schoonheid wat ben je oud, wat ben je nieuw. Veel te
laat heb ik jou liefgekregen.
Binnen in mij was je, ik was buiten,
en ik zocht jou als een ziende blinde buiten mij, en uitgestort als water
liep ik van jou weg en liep verloren tussen zoveel schoonheid die niet jij
is.
Toen heb jij geroepen en geschreeuwd, door mijn doofheid ben jij
heengebroken. Oogverblindend ben jij opgedaagd om mijn blindheid
op de vlucht te jagen. Geuren deed jij en ik haalde adem, nog snak
ik naar adem en naar jou.
Proeven deed ik jou en sindsdien dorst ik, honger ik naar jou.
Mij, lichtgeraakte, heb jij doen ontbranden. En nu brand ik
lichterlaaie naar jou toe, om vrede.
De bekendste geschriften van Augustinus
Augustinus geschriften zijn persoonlijk, betrokken en geschreven in een
beeldende taal. Preken en theologie beoefenen is voor hem, om het in
moderne termen te zeggen, zoeken naar persoonlijke groei. Leven en
denken is als het ware één vloeiende gebeurtenis.
Na zijn dood schreef zijn vriend Possidius von Calama de eerste
biografie over Augustinus: Vita Augustini.
Confessiones - Belijdenissen. Rond 400 geschreven. In de vorm van
een gebed schildert het de innerlijke ontwikkeling van Augustinus tot
aan zijn doop in 387. Duidelijk merkbaar is de invloed van de
genadenleer van Paulus. Het is de bekendste en meest verbreide van al
zijn boeken.
De civitate Dei - De stad van God. 22 boeken over de verhouding
tussen kerk en staat, van 413 tot 426 geschreven. De boeken zijn een
grote verdediging van het christendom. De aanleiding tot dit geschrift
is de beschuldiging van de 'heidenen' aan het adres van de christenen:
zij zouden de schuld zijn van de verovering van Rome door Alaric in 410.
Polemische geschriften tegen het Manicheïsme -vooral Contra
Faustum- tegen de Donatisten, tegen de Pelagianen
Verder: dogmatische en andere geschriften over onder meer De trinitate
- over de drieëenheid
|