Thomas Merton 1915-1968

Het kloosterleven wordt vaak beschouwd als een 'christendom voor enkelen', als een bevestiging van een geheiligd leven in een gewijd rijk, een kleine, heilige, zelfgenoegzame, wereldverloochenende kosmos van de kloosterlijke omheining... Ik houd er nog steeds van, maar ik zie dat ik het moet verzaken in die zin dat ik er bovenuit moet stijgen.
(uit: Oplettende Toeschouwer)

De Trappister monnik Thomas Merton is een 'schouwer' van alles wat er in de wereld gebeurt. Zijn leven is naar binnen gekeerd en staat tegelijkertijd naar buiten toe wijd open. Als hij op 53-jarige leeftijd door een banaal ongeval om het leven komt is hij een gelouterd mens.

Thomas Merton (1915-1968)

1915-1921
Thomas Merton wordt op 31 januari 1915 in Zuid-Frankrijk geboren in een kunstenaarsmilieu. Zijn vader komt uit Nieuw Zeeland, en zijn moeder is een Amerikaanse. Als Thomas een jaar oud is, reist de familie terug naar Amerika. De kinderen worden bewust atheistisch opgevoed. Ze moeten later zelf maar kiezen, vinden de ouders. Zijn moeder overlijdt wanneer Thomas zes jaar is en hij wordt samen met zijn broertje ondergebracht bij zijn grootouders.

1930-1931
Owen Merton, de vader van Thomas, wordt ernstig ziek en overlijdt in Londen op 18 januari 1931.

Na de dood van mijn vader bleef ik een paar maanden neerslachtig. Maar dat sleet tenslotte af. En toen dat gebeurd was, had ik niets meer dat mij ervan weerhield, te doen wat ik wilde. Ik verbeelde mij dat ik vrij was. En het zou vijf tot zes jaar duren vooraleer ik ontdekte, in wat voor een verschrikkelijke gevangenis ik was geraakt.

1933
Een reis naar Rome laat een bijzondere indruk achter bij Thomas. Hij schrijft later over zijn bezoek aan de Santa Sabina kerk :

Ik ging naar de Santa Sabina, de kerk van de Dominicanen. En het was een zeer ingrijpende gebeurtenis, iets dat neerkwam op een capitulatie, een overgave, een bekering, ook nu nog niet zonder strijd, toen ik welbewust die kerk binnenging met geen andere bedoeling dan er neer te knielen en tot God te bidden. Anders knielde ik nooit in die kerken en schonk er nooit enige formele of officiële aandacht aan wiens huis het was. Maar nu nam ik wijwater bij de ingang en liep recht naar het altaar waar ik neerknielde en langzaam met al het geloof dat in mij was, het Onze Vader bad.
(uit: De Louteringsberg)

1933-1935
Als Thomas gaat studeren in Cambridge in Engeland is zijn hoogste doel om alles in de wereld te grijpen wat er maar te grijpen is. Hij geniet intens van het studentenleven totdat hij in moeilijkheden raakt, waarschijnlijk omdat hij een meisje zwanger heeft gemaakt. In 1935 verhuist hij naar Amerika en gaat studeren aan de Columbia Universiteit. Daar wordt Thomas lid van de communistische jeugdbeweging, doet aan sport, brengt heel wat tijd door in bars en houdt er ook meer dan een vriendinnetje op na.

1936-1938
Wanneer in 1936 en 1937 zijn beide grootouders overlijden, is dit voor Merton aanleiding om te gaan bidden. Kort daarna woont hij een mis bij in de katholieke Corpus Christi kerk in New York. Na enige tijd besluit hij zich voor te bereiden op het doopsel. In november 1938 wordt hij in die kerk gedoopt.

Ondanks al mijn studeren en lezen en mijn gesprekken, had ik nog altijd een gebrekkig inzicht in de betekenis van hetgeen met mij stond te gebeuren. Ik stond op het punt aan wal te gaan aan de voet van de hoge Louteringsberg met zijn zeven terrassen en die berg was steiler en moeilijker dan ik mij kon voorstellen; ik vermoedde in het geheel niet, hoe zwaar het klimmen zou vallen. Wat ik nodig had, was de eenzaamheid om in de breedte en de diepte te groeien en eenvoudig te worden onder Gods ogen, zoals een boom zijn bladeren uitspreidt in de zon.
(uit: De Louteringsberg)

Misschien ben ik sterker dan ik denk. Misschien ben ik bang voor mijn kracht en keer ik die tegen mijzelf, zodat ik mijzelf zwak maak, mijzelf veilig stel, mijzelf schuldig maak. Misschien vrees ik ten zeerste de macht van God in mij. Misschien zou ik liever schuldig zijn en zwak in mijzelf, dan sterk in Hem die ik niet kan begrijpen.
(uit: De Louteringsberg)

1940
Vanaf het ogenblik dat hij gedoopt wordt, groeit in Thomas het verlangen om priester te worden. Hij bespreekt dat met een pater franciscaan. Hij wordt aangenomen en in augustus 1940 zal hij intreden bij de franciscanen. Thomas meent er goed aan te doen om vooraf in alle eerlijkheid te vertellen wat er in zijn vroegere leven allemaal gebeurd is. Daarop wordt hij geweigerd.

Hoe kan ik oprecht zijn, als ik mijn innerlijk leven voortdurend verander om het in overeenstemming te brengen met de schaduw van wat ik meen dat anderen van mij verwachten? Anderen hebben geen recht om van mij te verlangen dat ik iets anders ben, dan wat ik moet zijn in Gods ogen.

Van een mens kan er niets groters gevraagd worden. Dit is het enige wat God van mij verwacht, het enige wat ik moet doen. Maar het is ook het enige waarvan niemand verwacht dat ik het ook zal doen. Men wenst dat ik zou zijn zoals men me ziet: een verlengstuk van hen zelf. Zij beseffen niet dat, door volkomen mezelf te zijn, mijn leven als een aanvulling en een voleinding is van hun leven. Als ik enkel leef als hun schaduw, zal ik alleen maar dienen om hen te herinneren aan hun eigen onvolkomenheid. Als ik alleen maar word zoals anderen mij denken, dan zal God tot mij moeten zeggen.- 'ik ken u niet'.

Wel krijgt hij een baan aangeboden op de door franciscanen gestichte Bonaventura University in Olean, New York, waar hij ook gaat wonen. Hij geniet van de rust en de afzondering die hij daar vindt.

1941-1942
Nog meer rust en afzondering vindt Thomas tijdens een retraite bij de trappisten in de oudste amerikaanse abdij: de Abdij van Gethsemani in het bosrijke gebied van Kentucky op ongeveer 65 kilometer van Louisville. Dit is wat hij zoekt. Hij ervaart het alsof hij thuiskomt bij zijn diepste zelf. Hij besluit te blijven en treedt in op 10 december 1942.

1942-1955
Maar het pakt anders uit. Het is in de periode dat Merton intreedt bijzonder druk in de abdij. Er zijn 270 monniken, terwijl er eigenlijk maar plaats is voor 70. Stilte en eenzaamheid zijn vaak ver te zoeken. Merton voelt zich dan ook erg teleurgesteld. Hij begint zelfs te twijfelen aan zijn roeping. Hij schrijft in zijn dagboek:

Mijn Heer God, ik heb geen idee waarheen ik ga. Ik kan de weg die voor mij ligt niet zien. Ik kan niet met zekerheid zeggen waar hij zal eindigen. Ik ben niet werkelijk mezelf, en het feit dat ik denk dat ik Uw wil volg, betekent nog niet dat ik dat ook werkelijk doe. Maar ik geloof dat het verlangen U te behagen U ook in feite behaagt. En ik hoop dat ik dat verlangen heb in alles wat ik doe. Ik hoop dat ik nooit iets zal doen zonder dat verlangen. En ik weet dat als ik dit doe U mij zal leiden langs het rechte pad, hoewel ik er misschien niets vanaf weet. Daarom zal ik U altijd vertrouwen, hoewel ik het gevoel kan hebben verloren te zijn en in de schaduw van de dood. Ik zal niet bang zijn want U bent steeds bij me, en U zult me nooit aan mezelf overlaten om mijn gevaren alleen onder ogen te zien.

Het zal een tijd duren voor dat Merton tot de ontdekking komt dat de eenzaamheid kan worden gezocht en gevonden in de routine van elke dag.

Uiteindelijk komt het waarschijnlijk hierop neer: leven in een stilte, die de tegenstellingen in ons zodanig verzoent dat zij, hoewel zij in ons blijven bestaan, ophouden een probleem te zijn.

In zijn dagboek maakt Merton zich het verwijt dat hij tijdens de eerste 10 jaar van zijn monastiek leven de wereld gehaat en verworpen heeft, zonder stil te staan bij wat er ook goed aan is.

Ik was ervan overtuigd dat ik me in alle vrijheid uit de wereld van mijn tijd terugtrok. Die breuk was voor mij van het grootste belang. Sindsdien heb ik geleerd naar de wereld te kijken met meer mededogen. Ik beschouw de mensen in die wereld niet als vreemden of afgedwaalde wezens, maar als volkomen identiek aan mezelf. Door me te bevrijden van hun illusies en hun vooroordelen, heb ik mezelf geïdentificeerd met hun strijd en met hun blind en hopeloos verlangen naar geluk.

Ondanks zijn diep en blijvend verlangen naar eenzaamheid, heeft Thomas ook behoefte aan mensen om zich heen. Hij praat graag met zijn medebroeders, maar ook met allerlei andere mensen over onderwerpen als bewapeningswedloop, racisme. Thomas houdt er een uitgebreide vriendenkring op na.

De contemplatieve mens ziet om zich heen met een geheim en rustig verlangen dat hij misschien aan niemand bekend maakt, hopend op de gezichten van anderen te zien of in hun stem te horen een teken van de roeping en openheid voor het geluk en de wijsheid die zijn deel zijn .

Zijn contemplatieve leven is nog onvolkomen als hij niet kan delen, als hij geen kameraadschap, geen gemeenschap met anderen hierin heeft.
(uit: Zaadkorrels van Contemplatie)

1948
Als jonge monnik publiceert hij in 1948 zijn autobiografie The Seven Storey Mountain., Louteringsberg. Dit boek wordt onmiddellijk een bestseller en maakt hem tot een bekende religieuze figuur en een beroemd katholiek schrijver. Het is het eerste van een lange reeks van boeken over religieuze en maatschappelijk onderwerpen van zijn hand.

1955-1965
Tien jaar lang leidt Thomas als novicenmeester jongeren binnen in het monastieke leven. Hij houdt hen altijd voor, dat monastieke roeping in wezen een kwestie is van genade. Ze overstijgt het psychologische, sociale en culturele peil van het leven. De concrete verwezenlijking van zo'n leven is daar wel diep mee verbonden.

Ik geloof dat mijn leven getekend is met het grote merkteken - het teken van Jona - dat het doopsel, de monastieke professie en de priesterwijding in mijn bestaan hebben gebrand, omdat ik ondek dat ik zoals Jona op reis ben naar mijn bestemming in de buik van een paradox.
(uit: The Sign of Jonas)

1965
Thomas vindt het steeds moeilijker om met anderen te spreken over de tere en vertrouwelijke dingen die hij bij God ervaart. Tegelijkertijd maakt hem niets gelukkiger dan te ervaren dat hij met zijn medebroeders en mensen van buiten kan delen in de eenheid met God. Maar zijn verlangen naar een grotere eenzaamheid wordt steeds heftiger. Daarom krijgt hij toestemming om in augustus 1965 als kluizenaar te gaan leven in de bossen van het uitgestrekte domein van de abdij. Een oud, niet meer gebruikt stationnetje op het domein dient hem als woonplaats. Zijn productiviteit als schrijver is in deze tijd enorm. Ook hier komen velen naar hem toe om raad, steun, een goed gesprek.

Mijn klooster is niet mijn huis. Het is geen plaats waar ik gevestigd ben op aarde. Het is niet de omgeving waarin ik mezelf bewust ervaar als een individu, maar het is eerder een plaats waarin ik kan verdwijnen voor de wereld als een belangrijk iemand om overal te zijn, verborgen in medelijden. Om overal te zijn moet ik niemand zijn.
(uit: De Louteringsberg)

1968
Tot de grote internationale vriendenkring van Thomas horen Vietnamese boedhisten, hindoe monniken, Japanse Zen-meesters, soefi-meesters, professoren uit Jeruzalem, Franse filosofen, Europese kunstenaars en dichters. Ook monniken, onder wie Kees Tholens, toen abt van abdij De Slangenburg in Doetinchem. Aan deze vrienden heeft hij het te danken dat hij in 1968 uitgenodigd wordt een toespraak te houden op een bijeenkomst van Oosterse en Westerse monniken in Bangkok. Daar vertelt hij over zijn droom van een soort wereld-ashram, een vorm van intens spiritueel samenleven. Het liefst ziet hij hierbij zoveel mogelijk mensen betrokken, een levensgemeenschap temidden van de wereld en tegelijk gericht op eenzaamheid........

Niets willen, niets weten, niets bezitten, niets doen, dat kan men leeg noch niet-leeg noemen, zegt het boedhisme. We moeten ons ontledigen om ruimte te scheppen voor Gods werk in ons en in het geheel van de natuur. Eckhart heeft eens gezegd dat God leeg was toen Hij ons naar dat beeld schiep. Dat wil zeggen leeg als Hij en open voor alles. Kerend in onze innerlijke vormloze en beeldloze leegte, leveren wij ons uit aan onze Schepper. Gelijk de boedhisten zullen wij dan zwijgen en weten.
(uit: De weg van Tsjwang-tze)

december 1968
In de 26 jaar van zijn monniksleven heeft Thomas Merton zijn abdij bijna nooit verlaten. Op de dag van zijn grote reis naar het verre oosten, onderweg naar het vliegveld, schrijft hij:

Ik heb het gevoel mijn bestemming nu te zullen bereiken, alsof ik eindelijk mijn ware weg gevonden heb na jaren van wachten en vragen

.In de vroege namiddag van dinsdag 10 december 1968 sterft Thomas Merton in Bangkok (Thailand) aan de gevolgen van een banaal ongeval. Een slecht functionerende ventilator wilde hij een duwtje geven, maar er bleek stroom op te staan. Merton is op slag dood. Zo komt een einde aan het leven van een monnik die zich voortdurend verdiepte in het contemplatief leven, maar zich daarbij steeds realiseerde dat contemplatie onafscheidelijk verbonden is met de dynamiek van het leven.

Merton, een uitgesproken pacifist, wordt naar zijn land teruggebracht in een legervliegtuig. De problemen waarmee dat gepaard gaat, zou Merton zeker hebben doen lachen en niet in het minst om het feit dat hij -in zijn kist- bijna te laat komt voor zijn eigen begrafenis!.

De koningen en dictators en de machtigen der wereld doen hun werk met veel rumoer, met toespraken,( ... ), met luidsprekers en gedreun van bommenwerpers. Maar God werkt in stilte. (*) De geest van de wereld die zelfzucht en afgunst is, kuiperij, begeerlijkheid en angst, doet de mensen rumoer maken uit angst voor hun eigen leegheid. Maar Gods Geest geeft hun vrede en leert hun geen vrees te hebben voor het zwijgen, en zichzelf in de stilte te vinden. De geest van de wereld die hebzucht en onderdrukking is, wapent de mensen tegen elkaar, verdeelt hen tegen zichzelf en tegen anderen; die geest splitst de wereld in twee legerkampen. Maar Gods geest brengt de mensen samen, verenigt hen in vrede en leert hen samen te werken, elkanders lasten te dragen en elkaar te eren ondanks hun fouten, zwakheden en gebreken.

Op 17 december 1968 wordt hij temidden van zijn medebroeders op de begraafplaats in Gethsemani begraven. Hij is dan 53 jaar oud en op de dag af 27 jaar monnik .

Boeken van THOMAS MERTON, die vertaald zijn in het Nederlands.

Gedurende twintig jaar schrijft Merton enorm veel over heel wat verschillende onderwerpen. Hij waagt zich ook aan tamelijk controversiële onderwerpen in verband met de grote sociale problemen van zijn tijd, zoals rassendiscriminatie, het geweld in de wereld, de dreiging van de nucleaire wapens, economische onrechtvaardigheid, de oecumenische beweging en de interreligieuze dialoog. Hij is een van de eersten om de grote religies van het Oosten onder de aandacht te brengen van de christenen uit het Westen.

  • Als je de Bijbel openslaat, (Opening theBible),Wassenaar,1975.
  • De Berg der Waarheid, (Ascent to Truth), Bussum, 1953.
  • Beschouwend Gebed, (Contemplative Prayer), Kapellen, 1972.
  • Brood in de Woestijn, (Bread in the Wilderness), Tongerlo-Rotterdam, 1957.
  • Levend Brood, (Living Bread), Brugge, 1957.
  • Louteringsberg, (The Seven Storey Mountain), Antwerpen, 1986.
  • Oplettende Toeschouwer, (Conjectures of a Guilty Bystander), Brugge, 1969.
  • Overpeinzingen van een Christen, (Life and Holiness), Utrecht, 1965.
  • De roep der Wonden, (What are these Wounds?), Bussum, 1952.
  • Het Stille Leven, (Silent Life), Brugge, 1958.
  • Ter Overweging, (Seeds of Contemplation), Utrecht-Antwerpen, 1952.
  • Uw Naaste als Uzelf, (No Man is an Island), Utrecht, 1956.
  • Van Ballingschap tot Overweging, (Exile Ends in Glory), Utrecht, 1950.
  • De Wateren van Siloë, (The Waters of Siloe), Utrecht-Brussel, 1950.
  • De Weg van Tsjwang-Tze, (The Way of Chuang Tzu), Bilthoven, 1972.
  • Wijsheid uit de Woestijn, (Wisdom of the Desert), Haarlem-Averbode, 1979.
  • Zaadkorrels van Contemplatie, (New Seeds of Contemplation), Antwerpen, 1988.
  • Zen, Wijsheid en Leegheid, (Zen and the Birds of Appetite), Antwerpen, 1973.