Jacopone van Todi ca 1230-1306
Er is weinig met zekerheid bekend over de franciscaanse dichter en
mysticus fra Jacopone van Todi, ook wel Gekke Japie genoemd. Hij wordt
in 1294 genoemd als afgevaardigde naar paus Celestinus V om toestemming
te vragen om even streng te mogen leven als Franciscus. Zijn
handtekening staat onder een manifest van 10 mei 1297, gericht tegen
paus Benedictus VIII. En later zijn er uitspraken van en verhalen over
hem opgetekend. Maar hij wordt vooral beroemd door zijn Italiaanse en
Latijnse gedichten en liederen, die nog eeuwenlang gelezen en gezongen
zouden worden. En zelfs nu nog, want wie kent niet het Stabat Mater?
Hieronder volgt:
-
Levensschets
-
De mystieke weg van Jacopone
-
Stabat Mater, tekst in Latijn en Nederlands
Levensschets
Hein Blommestein van het Titus Brandsma Instituut in Nijmegen heeft
meerdere artikelen geschreven over leven en werk van Jacopone van Todi.
Zo bijvoorbeeld 2 artikelen in het tijdschrift Speling nr. 37 en 39. De
tekst hieronder is gebaseerd op zijn artikelen en op de gegevens van de
Catholic Encyclopedia.
Ca 1230-1267 jeugd, studie en baan Jacopo wordt geboren in
Todi, een provinciestadje in Umbrië, niet ver van Assisi, als telg van
het adellijke en invloedrijke geslacht van de Benedetti. Zijn oom Peter
was van 1252-1276 bisschop van die stad. We weten niets van zijn jeugd,
we weten alleen dat Jacopo rechten gaat studeren vermoedelijk aan de
beroemde rechtenfaculteit van Bologna. Als student zet hij behoorlijk de
bloemetjes buiten. Bij terugkomst in Todi vestigt hij zich als
'procuratore legale', dat is zoiets als notaris en accountant ineen.
1267 huwelijk Door zijn gewiekste manier van zaken doen raakt
Jacopo al snel in zeer goeie doen en in 1267 trouwt hij met de schone
Vanna, dochter van de graaf van Collemedio, een landgoed vlakbij Todi.
1268 dood van Vanna Dan slaat het noodlot toe. Jacopo en zijn
jonge vrouw gaan naar een groot feest in Todi. Vanna kijkt vanaf een
balkon naar de feestelijkheden als dat plotseling instort. Als Jacopo
haar onder het puin vindt, is ze stervende. Om haar meer lucht te geven,
maakt hij haar jurk open en ontdekt dan dat ze een ruwharen boetekleed
draagt onder haar weelderige feestkleding. In één klap raakt hij niet
alleen zijn vrouw kwijt, maar wordt ook geconfronteerd met een kant van
zijn vrouw waar hij niets van wist. Zijn yuppie-wereldje stort volledig
in elkaar. Er is niets meer over dan chaos en volledige desoriëntatie.
Hij vlucht weg in de waanzin en wordt van de een op de andere dag een
dorpsgek en een nietsnut in de ogen van zijn tijdgenoten. Hij doet geen
afstand van zijn bezit, maar smijt het voor de voeten van iedereen die
hem durft te naderen. Zij bekering is een gewelddadige en waanzinnige
ommekeer.
1268-1278 gekte Jacopo zwerft rond als bedelaar en plaaggeest,
heftig ieder goed fatsoen tartend en overal vernederd en bespot. Uit
deze tijd stamt zijn bijnaam: Jacopone, wat zoiets betekent als Gekke
Japie. De verhalen over zijn gekte zijn talloos. Zo verschijnt hij
dansend en zingend en van top tot teen met pek en veren besmeurd op een
familiefeest. Ook brengt hij de kippen van een rijke dorpsgenoot niet
naar diens huis, maar stopt ze in de familie-graftombe van de rijkaard.
Als de woedende man vraagt waar zijn kippen zijn, neemt Japie hem mee
naar het graf, tilt de zerk op en zegt: Zie, heer, uw huis voor eeuwig?
Zijn gekte heeft een doel. Wars van elk compromis en met een
overweldigende hartstocht kiest hij voor de naakte en gekruisigde
Christus. Uiterlijke armoede is slechts een begin. Het gaat erom ruimte
in je leven te scheppen door niets te bezitten. God geeft je immers
alles wat er is. Hij verspilt zijn liefde als een dwaas, lijkt het, want
zijn bron droogt nooit op. Jacopone zegt in zijn gedichten zó:
Wie begeert wordt bezeten Hij heeft zich verkocht aan wat hij mint
God houdt geen verblijf in een eng hart Hij is zo groot als je
liefde bezit
1278-1294 broeder Franciscaan Jacopone treedt in als
lekenbroeder in het grote Franciscaanse klooster San Fortunato te Todi.
De Franciscaanse beweging, vijftig jaar eerder in Assisi begonnen, is
ondertussen een enorm succes geworden. Overal kom je bedelmonniken in
ruwharen pijen tegen. Maar het ideaal van de totale armoede van
Franciscus wordt in de franciscaanse kloosters al niet meer zo heftig
nageleefd. Er onstaat tweespalt tussen de 'communalen', die het wat
kalmer aan willen doen in een rustig kloosterleven en de 'spiritualen',
die fanatiek de idealen van Franciscus willen naleven. Jacopone kiest
met hartstocht partij voor de Spirituelen. In deze tijd schrijft hij
talloze liederen en hekeldichten, naast enkele boekjes, over de mystieke
weg, die hij probeert te gaan. Zijn liederen zijn volks en passen in de
traditie van de minnestreel.
Er bestaat voor Jacopone maar één weg: de mystieke mens moet gegrondvest
zijn op het niets, op de totale vernieting van zichzelf. In deze ruimte
kan God geboren worden, het goddelijk leven van de Minne zich ten volle
ontplooien. Zó kan de verniete mens instrument worden van God:
O hoge nietheid, jouw werking is zo krachtig, dat je alle
deuren wijd openspert en binnentreedt in 't oneindige.
Jij voedt je met Waarheid en geen dood vrees je, scheve dingen
maak je recht, het duistere verhelder je; zozeer maak je het hart
één in goddelijke vriendschap, dat er geen
ongelijkvormigheid bestaat die de Minne tegenspreekt. (zang
92, 341-352)
1294-1297 radicaal als Franciscus In 1294 maakt Jacopone deel
uit van een delegatie van de Spirituelen naar paus Celestinus V. Ze
vragen en verkrijgen toestemming om, gescheiden en onafhankelijk van de
Communalen, de Franciscaanse Regel radicaal na te leven. Maar de
vrijheid duurt niet lang. Jacopone schrijft een vernietigend gedicht
over de onwaardige wijze waarop Benedictus VIII paus geworden was. Want
opnieuw maken nepotisme, ongebreidelde hebzucht en misbruik van macht
zich meester van de pauselijke troon. Paus Benedictus VIII moest al
niets van de vrijgevochten Spirituelen hebben en dit is de druppel die
de emmer doet overlopen. Hij plaatst de Spirituelen weer onder het gezag
van de communale kloosters. En toen had je de poppen helemaal aan het
dansen.
10 mei 1297 manifest tegen geldigheid pauskeus Jacopone kiest
partij voor de kardinalen Jacopo en Pietro Colonna. Hij ondertekent met
vele anderen het manifest van Longhezza, dat de geldigheid van de
pauskeus van Bonifatius VIII bestrijdt. De paus nam wraak en zond zijn
troepen naar Palestrina, de hoofdstad van de Colonna's, waar alle
dissidenten zich verzameld hadden. Zo ook Jacopone.
1298-1303 gevangen Palestrina wordt ingenomen door de
pauselijke troepen. Jacopone wordt opgesloten in een smerige kerker van
de vesting die boven de stad ligt. Hier schrijft hij enkele van zijn
meest ontroerende, maar ook heftigste gedichten.Bonifatius VIII laat
Jacopone zelfs niet vrij in het jubeljaar 1300. Hij heeft er zelfs een
speciale Pauselijke Bul voor nodig om Jacopone van de algemeen verleende
gratie uit te zonderen!
1303-1306 laatste jaren en dood Bonifatius VIII wordt gevangen
genomen en sterft spoedig daarna (11 oktober 1303). Jacopone wordt
onmiddellijk vrijgelaten, maar door de verschrikkelijke ervaringen in de
kerker is hij een oude en gebroken man geworden. Eerst trekt hij zich
terug als kluizenaar, maar al spoedig krijgt hij onderdak in San
Lorenzo, een klooster van Arme Clarissen. Hier sterft hij in de
kerstnacht van 1306, juist als de priester het Gloria in Excelsis Deo
begint te zingen.
Jacopone is nooit officieel heilig verklaard, hoewel dat wel een aantal
keren geprobeerd is. Waarschijnlijk is zijn kritiek op en hekeldicht
over een paus daarvan de oorzaak. Jacopone behoort tot de grootste
dichters uit de geschiedenis van Italië.
De mystieke weg van Jacopone
Enkele passages uit 'Dwarsliggers' van Arjan Broers:
Jacopone bezingt drie hemelen, waarvan de armoede de derde en verborgen
hemel is. De beelden gaan terug op het middeleeuwse denken over de hemel
als firmament en over de hartstochten waaruit de mens is opgebouwd. En
ook al zijn die opvattingen verouderd, dat doet niets af aan de glans
van de verbeelding van Gods nar.
De eerste hemel is het hemelgewelf, de blauwe koepel die we kunnen zien.
Deze staat voor de eerste fase op de mystieke weg. Het is de plaats waar
de mens ontbloot wordt van alle rijkdom en aanzien. Dit ontmaskeren
gebeurt op drie niveaus: die van de materiële welvaart, die van de
intellectuele vermogens en die van het religieuze leven, allemaal
terreinen waarop we de illusie van veiligheid zoeken en de bevestiging
door anderen.
Ban alle rijkdommen uit breng de wetenschap tot zwijgen
en ontvlucht de faam van heiligheid.
De rijkdommen doen tijd verliezen wetenschap gaat op in wind
de faam herbergt en ontvangt de huichelarij van alle kanten.
Wie van deze drie ontbloot is lijkt me een sterrenhemel.
Moeilijker wordt het in de volgende fase, de tweede hemel. Boven het
hemelgewelf bevindt zich een kristallijnen hemel waar de wateren
bevroren zijn, zo is de voorstelling.
Vier winden bewegen de zee, die de geest in verwarring
brengen; de vrees en de hoop, de smart en de
vreugde.
De ontbloting van deze vier is moeilijker dan van de eerste
drie.
In dit stadium raakt de zoeker alles kwijt waaraan hij zich vastgehouden
heeft. Hij verniet, raakt meer en meer op de ander gericht, zonder nog
bij zichzelf stil te staan. God is niet langer het doel van het handelen
en de deugden sterven af. Want wie deugdzaam wil handelen, is zich nog
steeds bewust van de ondeugd die er het tegendeel van is. De zoeker
sterft af. Er is geen reden meer om trots te zijn, of nederig. Deze fase
kan tot een diepe wanhoop leiden, want alle kompassen waarop de zoeker
eerder heeft gevaren blijken hebbedingen te zijn. Ze geven niet langer
richting aan.
De hel vrees je niet noch hoop je op de hemel en
over het goede verheug je je niet noch treur je om tegenslag.
De deugd heeft geen waarom want het waarom ligt buiten jou.
De derde hemel is op grote hoogte, voorbij goed en kwaad, voorbij deugd
en ondeugd, voorbij fantasie en voorstellingsvermogen. De zoeker heeft
zich van alles ontdaan en handelt zoals God: uit liefde zonder einde,
zonder oordeel, zonder waarom. Hij ervaart geen grens meer tussen het ik
en zijn Bron ? behalve als hij stiekem toch weer handelt om iets in
handen te krijgen: bezit of erkenning.
Te leven ik in niet ik en mijn wezen in mijn niet wezen!
Dit wijkt zo af dat ik er geen definitie van ken.
Armoede is niets hebben en vervolgens niets willen
en alles bezitten in geest van vrijheid.
Stabat Mater
Stabat Mater is een latijns gedicht, dat zeer waarschijnlijk door
Jacopone van Todi geschreven is. Vanaf de 18e eeuw wordt het gedicht als
lied in de lijdenstijd in de liturgie gezongen, speciaal bij de kruisweg
op Goede vrijdag. Naast de Gregoriaanse versie hebben veel beroemde
componisten de tekst op muziek gezet, zoals Josquin des Prez,
Palestrina, Pergolesi, Rossini, Dvorák.
Stabat mater dolorosa iuxta Cruxem lacrimosa,
dum pendebat Filius.
Met de tranen in haar ogen stond de Moeder, diep bewogen naast het
kruis, waar Jezus hing.
Cuius animam gementem, contristatam et dolentem,
pertransivit gladius
Door haar pijnlijk zuchtend harte, overstelpt van wee en smarte,
't scherpe zwaard van droefheid ging.
O quam tristis et afflicta fuit illa benedicta Mater Unigeniti.
Hoe bedrukt, hoe neergeslagen. moest de zegenrijke klagen om Gods
eengeboren Zoon.
Quae morebat et dolebat, pia Mater, dum videbat nati poenas
incliti
Ach, hoe schreide en hoe kreet zij, en wat folteringen leed zij
bij 't aanschouwen van die hoon.
Quis est homo, qui non fleret, Matrem Christi si videret in
tanto supplicio?
Wie kan nu zijn tranen houen en de Moeder hier aanschouwen in haar
bitter zielewee;
Quis non posset contristari, Christi Matrem contemplari
dolentem cum Filio?
Wie voelt niet zijn hart verscheuren die de Moeder zo ziet treuren,
lijdend met haar Jezus mee?
Pro peccatis suae gentis vidit Iesum in tormentis et flagellis
subditum.
Zij zag Jezus voor de zonden van zijn volk bedekt met wonden van
de wrede geseling.
Vidit suum dulcem Natum moriendo desolatum dum emisit spiritum.
Zij zag haar Liev'ling sterven alle troost zijns Vaders derven tot
de geest uit 't lichaam ging.
Eia, Mater, fons amoris me sentire vim doloris fac, ut tecum
lugeam
Geef, o Moeder, bron van liefde dat ik lijd wat u doorgriefde,
geef mij dat ik met u klaag.
Fac, ut ardeat cor meum, in amando Cristum Deum ut sibi
complaceam
Ach, ontvlam mijn hart en zinnen, dat ook ik mijn God mag minnen
en die heiland steeds behaag.
Sancta Mater, istud agas, Crucifixi fige plagas, cordi meo
valide.
Heil'ge Moeder, hoor mijn bede, deel mij Christus'wonden mede,
diep ze drukkend in mijn hart.
Tui Nati vulnerati, tam dignitati pro me pati, poenas mecum
divide.
Van uw Zoon, bedekt met wonden, die zo leed om mijne zonden, laat
mij delen in de smart.
Fac me vere tecum flere, Crucifixo condolere, donec ego vixero
Laat mij met u medewenen, mij met 's Heren leed verenen tot het
uur van mijnen dood.
Iuxta Crucem tecum stare, et me tibi sociare in plancto
desidero.
Naast het kruishout wil ik toeven en mij daar met u bedroeven om
het lijden, naamloos groot.
Virgo virginium praeclara, mihi iam non sis amara, fac me tecum
plangere
Maagd der maagden onvolprezen, wil mij niet ongunstig wezen, laat
mij treuren aan uw zij;
Fac, ut portem Christi mortem, passionis fac consortem et
plagas recolere.
Laat mij Christus' doodsstrijd strijden, deelgenoot van al zijn
lijden, laat mij sterven zoals Hij.
Fac me plagis vulnerari, Crucem hac inebriari, ob amorem Filii.
Laat zijn wonden mij doorwonden, worde ik bij zijn kruis verslonden
in het bloed van uwen Zoon.
Inflammatus et accensus, per te, Virgo, sim defensus in die
iudicii.
Moge ik in het vuur niet branden, neem, O Maagd, mijn zaak in handen
in het oordeel voor Gods troon.
Fac me Cruce custodiri, morte Christi praemuniri, confoveri
gratia.
Christus, wil bij mijn verscheiden door uw Moeder mij geleiden tot
de overwinnaarsprijs
Quando corpus morietur, fac, ut animae donetur paradisi gloria.
Amen. In sempiterna saecula.
Doe, als 't lichaam dan zal sterven, mijn ziel de glorie erven van
het hemels paradijs.
Door de eeuwen der eeuwen, Amen.
|