Etty Hillesum 1914-1943

'Word, die je bent' krijgt Etty Hillesum als opdracht van haar leermeester en minnaar Julius Spier. Dat is precies wat deze jonge joodse vrouw tijdens de extreme omstandigheden van de Tweede Wereldoorlog doet. Ze blijft trouw aan zichzelf en is daardoor tot op de dag van vandaag een licht voor velen. Haar dagboeken en brieven getuigen van haar geestelijke bewustwording.

Hieronder vindt u:

  • Een levensschets
  • Etty's dagboek als spirituele weg
  • Uitgaven van de dagboekcahiers en brieven van Etty

De tekst is gebaseerd op 'Etty, de nagelaten geschriften van Etty Hillesum' uit 1984. Tevens op de site die de gemeente Deventer ter herinnering aan Etty en haar familie beheert: http://www.ettyhillesumcentrum.nl

Een levensschets

1914-1932 Jeugd
Esther (Etty) Hillesum wordt geboren op 15 januari 1914 in Middelburg. Vader Levie of Louis (1880) is daar leraar in de klassieke talen aan het plaatselijk gymnasium. Moeder Riva Bernstein (1881) ontsnapt in 1907 met kaalgeschoren hoofd en in soldatenkleren aan een grote jodenvervolging (progrom) in Rusland. Ze zoekt haar toevlucht in Nederland, waar ze in 1912 met Louis Hillesum trouwt. Na Etty krijgt het echtpaar nog twee zoons: Jaap (1916) en Mischa (1920).

Het huishouden van de familie Hillesum is rommelig en rumoerig. Vader sluit zich vaak op in zijn studeerkamer waar hij letterlijk met zijn neus in de boeken zit, moeder is altijd in de weer met koken en kippensoep. Vader kan zeer opvliegend zijn, moeder is chaotisch, druk en melancholisch. Mischa, een muzikaal wonderkind, zit van de ochtend tot laat in de avond achter de vleugel te spelen. Ook Jaap is zeer begaafd, maar beide broers zijn geestelijk labiel. Beide belanden af en toe in een inrichting. Rustig en schoon is het zelden in huize Hillesum.

Etty en haar familie zijn joods, maar zijn niet meer religieus betrokken. De overgrootvader van Etty was opperrabbijn in Zwolle. De familie laat zich in 1937 uitschrijven als lid van de Joodse gemeente.

In die eerste jaren verhuist het gezin regelmatig dwars door Nederland, omdat vader Hillesum op school, zeker in de lagere klassen geen orde kan houden. In 1924 verhuist het hele gezin naar Deventer, waar Louis Hillesum leraar klassieke talen wordt aan het stedelijk gymnasium, later tevens conrector en in 1928 rector.

1926-1932 Gymnasium
In september 1926 gaat Etty naar het stedelijk gymnasium. Ze is geen bijzondere leerling, maar ze leest wel alles wat ze te pakken kan krijgen. Ze volgt Hebreeuws en bezoekt een tijdlang bijeenkomsten van een zionistisch jeugdgroepje. Verder tennist en danst ze graag en heeft veel vriendjes. In 1932 behaalt ze het eindexamen gymnasium alpha.

1932-1939 Studie in Amsterdam
Etty gaat rechten studeren in Amsterdam, want ze wil kinderrechter worden. Daar leidt ze een wild en ongebonden studentenleven met veel vrienden en vriendinnen. Ze houdt van eten, drinken en feesten en heeft 'op heel wat bedden rondgedanst' , zoals ze later in haar dagboeken schrijft.

Ze verkeert in een links en antifascistisch studentenmilieu en is politiek en sociaal geëngageerd, maar wordt geen lid van een politieke partij. Ze verhuist regelmatig naar een andere kamer, en af en toe woont ze ook weer een tijdje thuis bij haar ouders in Deventer.

1937-1943 Han Wegerif
In 1937 gaat Etty, tot verbazing van haar omgeving, samenwonen met een 35 jaar oudere weduwnaar, de accountant Han Wegerif. Ze leiden in de Gabriël Metsustraat een bedaard leven en Etty komt wat tot rust bij hem. Ze schrijft op 20 juni 1942:

We zaten vanavond voor de geopende vensters met een krant, een pijp, een boek en een kopje chocola, als waren we 25 jaar getrouwd.

Etty blijft bij hem wonen tot aan haar definitieve vertrek naar Westerbork in 1943.

1939-1943 Joods
Op 4 juli 1939 studeert Etty af als jurist. Ze besluit om verder te studeren in de slavische talen, want door haar moeder had ze een grote liefde opgedaan voor Rusland en de russische litteratuur. Mensen die haar gekend hebben zeggen dat Etty zich ook heel vaak als een geboren Russin gedraagt: druk, vrolijk en somber, expressief en chaotisch.

Onder de duitse bezetting is Etty met haar vier joodse grootouders ineens 'joods' en valt onder alle maatregelen van de Duitsers tegen mensen met een joodse afkomst. Vanaf 1942 wordt het haar onmogelijk gemaakt nog colleges te volgen. Ze geeft dan wel privé-lessen russisch.

3 februari 1941 Julius Spier
Etty leeft bij de niet-joodse Han Wegerif tamelijk veilig. Maar toch voelt ze zich niet lekker. Ze is onrustig en ontevreden met zichzelf en ongelukkig met veel wat er om haar heen gebeurt.

Op 3 februari 1941 zoekt Etty voor de eerste keer contact met de dan 54-jarige Julius Spier, een in 1939 uit Berlijn geëmigreerde joodse handlijnkundige. Spier heeft een kleine praktijk in zijn woning aan de Courbetstraat. Daar behandelt hij voornamelijk vrouwen door ze de hand te lezen, met hen te praten en soms te worstelen. Hij stimuleert hen ook om als onderdeel van de therapie een dagboek bij te houden. Omdat Spier een groot mensenkenner is, kan hij veel van zijn patiënten helpen en hen een weg wijzen in hun leven.

Etty wordt verliefd op Spier en er onstaat een heftige relatie, hoewel Spier Etty op een zekere afstand houdt. Spier is verloofd met Hertha Levi, die in Engeland op hem wacht.
Ook Etty heeft het moeilijk met deze relatie. Ze is nu verliefd op twee mannen tegelijk, afgezien nog van haar tijdelijke andere verliefdheden, ook op vrouwen. Ze schrijft over haar worsteling met de liefde:

Zondagavond 9 Maart 1941 in de badkamer.
Vanavond was er nog even zijn stem door de telefoon, die mijn lichaam helemaal in opstand bracht. Maar ik heb gevloekt als een polderjongen tegen mezelf en gezegd dat ik toch geen hysterische bakvis meer ben. En ik kon plotseling zo begrijpen de monniken die zichzelf geselen om het zondige vlees te temmen. En het was een gevecht tegen mezelf, razend was ik en daarna grote helderheid en rust. En nu voel ik me heerlijk, brandschoon van binnen. S. is weer eens voor de zoveelste keer overwonnen. Zou het lang duren?

20 Februari, 1942. Vrijdagochtend 10 uur.
Ik schrok zo toen Han laatst zei: Ja, ik was wel erg aan het vereenzamen de laatste tijd. En in de overgave als vrouw sloop een heel groot menselijk element. Gisteren kuste ik S. z'n haar, dat aan de rechter slaap al helemaal wit wordt.
Ik heb hem lief met een liefde , die steeds minder bezitten wil en daardoor steeds meer bezit. Er komen de jaloezietjes, de wildheden, de onbevredigdheid en een groot verlangen nu en dan. En dat is goed. Je zou je anders bijna heilig gaan voelen. Mijn twee grijze vrienden.

Julius Spier wordt in de loop van 1942 ernstig ziek. op 15 september 1942 sterft hij aan kanker.

9 maart 1941-10 oktober 1942 Dagboek
Etty begint haar dagboeken op 9 maart 1941. Kort na de dood van Spier schrijft Etty op 10 oktober 1942 de laatste regels. In deze anderhalf jaar maakt ze een grote geestelijke ontwikkeling door. In haar dagboeken laat ze zien hoe ze zich langzamerhand losmaakt van allerlei aardse verlangens, om tenslotte welbewust te kiezen voor het lot dat haar joodse familie en vrienden wacht. Etty schrijft haar dagboeken ook, omdat ze deze -net als Anne Frank- later wilde gebruiken voor de boeken die ze wilde gaan schrijven.

Spier leert Etty om haar driften te beheersen. Hij is het ook die haar de opdracht geeft 'te worden die ze was'. Zijzelf spreekt over haar 'bewustwording'.

31 december 1941
De laatste avond van een jaar dat voor mij het rijkste en vruchtbaarste en ja, toch ook het gelukkigste was van alle voorafgaande jaren. En als ik in één woord zou moeten zeggen waardoor dit jaar - vanaf 3 februari toen ik schuchter aan de bel trok in de Courbetstraat nr. 27 en een griezelige kerel met een antenne op z'n hoofd naar mijn handen keek - dan zou dat woord moeten luiden: door de grote bewustwording.

Ze leert gaandeweg een zekerheid in zichzelf kennen, iets dat haar nooit afgenomen kan worden, iets dat haar in zekere zin onkwetsbaar maakt. Ze herkent in dat stukje ziel van zichzelf God. Die ziel, die innerlijke zekerheid geeft haar de moed en de kracht om er volledig voor andere mensen te zijn en ze te helpen, zo nodig dag en nacht.

5 Januari 1942. Maandagochtend, half 10.
Enige keren bij het wakker worden was de grauwe ochtend niets anders dan een stuk papier, geplakt tegen de achterkant van mijn raam en de zwarte takken van mijn boom waren slordige potloodstreepjes op dat groezelige papier. En de boekenkast, die de hele lichte nachtdoor duidelijk te zien was, was alleen maar een stuk hout vol met stapels vervelend papier. Dat is eigenlijk het ergste wat er is, als van binnen het lichtknopje is uitgedraaid, laten we maar heel dapper zeggen: als God je voor een moment verlaten heeft. Maar gisterenavond moest ik opeens, door een plotseling opkomende innerlijke overvloed gedreven, weer knielen midden in de kamer en de grauwe ochtend was bij het wakker worden geen stuk papier meer, maar had weer haar wijdheid van vroeger.

Tenslotte weet ze wat haar te doen staat, wat haar opdracht is. De laatste regel van haar dagboeken luidt:

Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.

1942 Anti-joodse maatregelen

In de dagboeken van Etty is duidelijk merkbaar hoe de anti-joodse maatregelen steeds meer haar leven bepalen. Ook al heeft ze zich nóg zo voorgenomen de lijn van haar eigen geestelijke ontwikkeling te volgen, ongeacht wat haarzelf zou overkomen.

22 Februari 1942. Zondagavond 9 uur.
Vanmiddag onder Beethoven moest ik opeens diep het hoofd buigen en moest bidden voor allen, die in koude concentratiekampen zitten en bad om kracht voor allen en wenste hun toe, dat ze zich de goede momenten uit hun leven zouden herinneren, zoals ik me later, in moeilijkere tijden, deze dag en vele dagen van dit laatste jaar, zal herinneren en ze me kracht zullen geven niet verbitterd te raken tegen het leven.

Zaterdagavond 20 Juni 1942, half 1.
Ik fietste langs de Stadionkade vanochtend en genoot van de wijde hemel, daar aan de rand van de stad en ademde de frisse, ongerantsoeneerde lucht in. En overal bordjes, die wegen, de vrije natuur in, voor Joden versperd hielden. Maar boven dat ééne stuk weg, dat ons blijft, is ook de volledige hemel. Men kan ons niets doen, men kan ons werkelijk niets doen.

Maandagmorgen 29 Juni 1942, 10 uur
Het laatste bericht is, dat alle Joden uit Holland weg getransporteerd zullen worden, via Drenthe naar Polen. En de Engelse zender zei, dat er sinds verleden jaar April 700.000 Joden zijn omgekomen, in Duitsland en de bezette gebieden. En áls wij blijven leven, dan zijn dat even zo vele wonden, die wij ons hele leven met ons zullen moeten dragen.

Zaterdagochtend 4 Juli 1942, 9 uur
Onder het lopen wist ik, dat er aan het eind van onze weg ons een veilig huis wachtte en ik wist tegelijkertijd, dat er eens een tijd zou zijn, dat er niet meer zo een huis zal wachten en dat men zó maar langs de wegen gaat en er een barak zal zijn, waar men om zal komen met velen. Ik wist dat allemaal, terwijl ik daar liep, niet alleen voor mezelf, maar ook voor alle anderen en ik heb het aanvaard.

juli 1942 'Sociale Verzorging Doortrekkenden' in Westerbork
Op 15 juli 1942 krijgt Etty een administratief baantje bij de Joodsche Raad, maar dat staat haar tegen. Ze beseft dat de Joodsche Raad niet de belangen van de Joden in Nederland regelt, maar in feite meehelpt aan hun deportatie. Ze vraagt en krijgt in haar ogen zinvoller werk als een soort maatschappelijk werkster bij de 'Sociale Verzorging Doortrekkenden' in kamp Westerbork.

28 juli 1942
Het is natuurlijk nooit meer goed te praten, dat één gedeelte der Joden meehelpt om de overgrote rest weg te transporteren.


5 december 1942 Ziek in Amsterdam
Het gaat niet goed met Etty's gezondheid. Steeds moet ze weer terug naar Amsterdam om bij te komen. De dood van Spier in september doet daar ook geen goed aan. Wel leert ze in Westerbork twee mannen kennen die nu een grote plaats in haar leven gaan innemen: Jopie Vleeschhouwer en Osias Kormann. Op 5 december komt ze in het ziekenhuis terecht voor een galoperatie. Ze zal de hele winter van 1943 ziek blijven.

6 juni 1943 Westerbork

Het zal tot 6 juni 1943 duren voordat ze weer naar Westerbork mag. Mag, want ze wil erg graag terug naar Westerbork om daar de mensen te kunnen helpen bij de voorbereiding op hun transport. Ondertussen zijn ook haar ouders en haar broer Mischa in Westerbork aangekomen. Er komt een einde aan de speciale status van de medewerkers van de Joodsche Raad, de helft moet blijven, de rest moet terug naar Amsterdam. Etty kiest voor haar familie en haar opdracht: ze blijft.

Tot september weten Etty en haar familie nog aan deportatie te ontkomen. Een verzetsgroep in het kamp biedt haar zelfs nog de mogelijkheid om onder te duiken, maar dat wil ze niet. Ze weet maar al te goed dat als zij onderduikt, er anderen in haar plaats gedeporteerd zullen worden. Ze realiseert zich ook heel goed dat er velen zijn, die niet het geld of de relaties hebben om onder te duiken of te vluchten. Bovendien schrijft ze meerdere keren dat ze het lot van haar volk wil delen.

Brief 3 juli 1943
Ik wilde alleen maar dit zeggen: de ellende is werkelijk groot en toch loop ik dikwijls, later op de avond .. met een veerkrachtige pas langs het prikkeldraad en dan stijgt er altijd weer uit mijn hart naar boven .. dit leven is iets prachtigs en iets groots, we moeten nog een hele nieuwe wereld opbouwen later - en tegen iedere wandaad en gruwelijkheid te meer hebben wij een stukje liefde en goedheid te meer tegenover te stellen, dat we in onszelf veroveren moeten. We mogen wel lijden, maar we mogen er niet onder bezwijken.

Brief dinsdag 24 Augustus 1943
Die middag tevoren liep ik nog een keer door mijn ziekenbarak, gaande van bed tot bed. Welke bedden zouden er morgen leeg zijn? Een jong meisje roept me. Ze zit kaarsrecht overeind in haar bed met wijd opengesperde ogen. Het is een meisje met dunne polsen en een doorschijnend smal gezichtje. Ze is gedeeltelijk verlamd, ze was juist weer begonnen opnieuw te leren lopen, tussen twee verpleegsters in, voetje voor voetje. 'Heb je gehoord, ik moet weg', fluistert ze. Later in de nacht, zie ik haar voor de laatste keer.

'Zo, nu ben ik dus in de hel.'

7 september 1943 Deportatie en dood

Vanuit de trein gooit Etty nog een laatste berichtje. Ze stuurt het naar Deventer, naar haar lerares en vriendin Christine van Nooten.

Christine, ik sla de bijbel op op een willekeurige plaats en vind dit: de Here is mijn hoog vertrek. Ik zit midden in een volle goederenwagen op m'n rugzak. Vader, moeder en Mischa zitten enige wagens verder.Het vertrek kwam toch nog vrij onverwachts.Plotseling bevel voor ons speciaal uit Den Haag. We hebben zingende het kamp verlaten. We zullen drie dagen reizen. Dank voor al jullie goede zorgen .....Tot ziens van ons vieren. Etty

Een ooggetuige die op 7 september 1943 Etty Hillesum en haar familie uit Westerbork naar Auswitz ziet vertrekken schrijft het volgende:

In wagon één zie ik moeder, vader Hillesum en Mischa instappen. Etty komt in wagon twaalf terecht. Daar gaat de trein weg, een schrille fluit en de tweeduizend 'transportfähigen' zetten zich in beweging. Nog een flits van Mischa die druk uit een spleet van goederenwagen één zwaait en dan bij twaalf een vrolijk daaag van Etty .... en weg zijn ze.....

Vader en moeder Hillesum worden vrijwel onmiddellijk na aankomst in Auswitz vergast, broer Mischa komt op 31 maart 1944 om. Broer Jaap word in februari 1944 op transport gesteld en komt in Bergen-Belsen terecht. Vlak voor de bevrijding voorjaar 1945 overleeft hij een zwerftocht vol ontberingen niet. Etty leeft nog bijna drie maanden in Auswitz. Volgens het Rode krijs komt ze op 30 november 1943 om. Ze is dan 29 jaar.

Etty's dagboek als spirituele weg

(Zie ook het artikel van Denise de Costa: Etty Hillesum - Dagboekschrijven als innerlijke weg, in Speling, nr. 1 2001, blz. 67, 68).

Julius Spier raadt Etty aan om een dagboek bij te gaan houden. Toch krijgt het dagboek van Etty pas een extra dimensie door hun gemeenschappelijke vriendin Henny Tideman. Onder invloed van 'Tide' creëert Etty via het schrijven niet alleen ruimte voor de ander, maar ook voor de Ander. Zo wordt de innerlijke weg van het dagboekschrijven tenslotte een spirituele weg.

Henny Tideman is een diep gelovige vrouw. Zij had de gewoonte om elke dag even stil te zijn, om dan, in haar eigen woorden, naar God te luisteren. Etty gaat ook wel eens 'zitten', tussen de boekenkasten of in de badkamer, maar uiteindelijk vindt zij toch vooral in de eenzaamheid van het dagboekschrijven innerlijke rust. Zij heeft de moed om eerlijk en onbevangen haar innerlijke roerselen bloot te leggen. Dagboekschrijven heeft een meditatieve werking op haar geest. Ze keert steeds dieper in zichzelf, om uiteindelijk, op de bodem van haar ziel, God te ontdekken:

En hiermee is misschien het meest volkomen uitgedrukt mijn levensgevoel: ik rust in mijzelve. En dat mijzelve, dat allerdiepste en allerrijkste in mij, waarin ik rust, dat noem ik 'God'.

Etty wordt van leerling een leraar door datgene dat ze zelf bereikt heeft aan anderen door te geven. Ze probeert God op te diepen in de harten van de mensen om haar heen. Dat doet ze in de brieven die ze aan vrienden en bekenden schrijft. Dat doet ze in Westerbork door de mensen als een geestelijke raadsvrouw tegemoet te treden.

Vanuit haar overtuiging dat God de mens naar zijn evenbeeld schiep, probeert ze het goddelijke in ieder mens op te graven en zo het contact tussen de mens en God te herstellen. Dat doet ze tenslotte postuum. In haar dagboek schrijft ze dat ze zo goed mogelijk wil leven, zodat diegene die na haar komt:

... niet helemaal opnieuw hoeft te beginnen en het niet meer zo moeilijk heeft. Is dat ook niet iets doen voor het nageslacht?

Uitgaven van de dagboekcahiers en brieven van Etty

Het heeft lang geduurd voordat alle dagboekcahiers (totaal tien, cahier zeven ontbreekt) en brieven van en aan Etty Hillesum werden uitgegeven.

Al in 1943, kort na haar deportatie, worden twee lange brieven van Etty over de situatie in Westerbork illegaal gepubliceerd door haar vrienden. Om de Duitse censuur te misleiden worden ze 'verpakt' in een boekje over een kunstschilder en zijn kunst en er een gefingeerde brief aan toegevoegd. De titel luidt: Drie brieven van den kunstschilder Johannes Baptiste van der Pluym (1843-1912).

In 1956 worden deze 2 brieven herdrukt in het blad Maatstaf en in 1962 verschijnen ze in boekvorm bij uitgeverij Bert Bakker. De andere brieven en de dagboeken van Etty blijven bij vrienden in de kast liggen. Niemand heeft er interesse voor.

Pas in 1981 wordt een keuze uit de dagboeken gepubliceerd onder de titel Het verstoorde leven; dagboek van Etty Hillesum 1941-1943 (Uitgeverij De Haan Haarlem). Ineens wordt Etty Hillesum een begrip. Mensen schrijven over haar gedachten, halen er troost en kracht uit. Veel lezers zijn getroffen door de kracht die er uit spreekt en het geloof dat Etty uitdraagt in de menselijke mogelijkheden.

In 1982 worden de twee brieven uit Westerbork opnieuw uitgegeven, samen met een paar andere brieven en kaarten die Etty tussen juli 1942 en september 1943 geschreven had vanuit kamp Westerbork en Amsterdam. Deze uitgave krijgt de titel 'Het denkende hart van de barak', Brieven van Etty Hillesum (Uitgeverij Balans)

In 1984 worden nog twee nieuwe dagboekcahiers van Etty gevonden. Deze worden uitgegeven onder de titel 'In duizend zoete armen, Nieuwe dagboekaantekeningen van Etty Hillesum (Uitgeverij Balans).

De eerste reacties worden in 1985 gepubliceerd onder de titel 'Men zou een pleister op vele wonden willen zijn', (Uitgeverij Balans), waarin ook kritische kanttekeningen rondom Etty staan genoteerd.

In 1986 worden alle dagboekcahiers en brieven van en aan Etty uit de periode maart 1941 tot en met oktober 1943 als verzameld werk gepubliceerd onder de titel: Etty, De nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943, (Uitgeverij Balans, ISBN 90 5018 006 x)

De naam van Etty Hillesum is dan al overal bekend. Het 'Verstoorde leven' is inmiddels in 14 talen vertaald en gepubliceerd.

Er zijn studiebijeenkomsten over haar ideeën, er worden boeken over haar geschreven, er ontstaan overal leesclubs. Over de hele wereld worden mensen door Etty geïnspireerd.