Beatrijs van Nazareth 1200-1267
Hieronder vindt u
-
Een levensbeschrijving van Beatrijs van Nazareth
-
Het enig bewaard gebleven geschrift van Beatrijs van Nazareth
Een levensbeschrijving van Beatrijs van Nazareth
Hier volgen enkele passages uit 'Beatrijs van Nazareth en haar mystiek
in de seven manieren van minne' van Dr. Rob Faesen, lezing voor de
zusters van de Abdij Nazareth in Brecht op 22 september 2001. Ze zijn
voor internet bewerkt.
Vita Beatricis De levensloop van Beatrijs kennen we vrij goed
dankzij de Vita Beatricis die een aantal jaren na haar dood geschreven
werd. Deze levensbeschrijving is redelijk betrouwbaar. We weten niet wie
de auteur is, maar we weten wel dat de Vita geschreven is in opdracht
van de toenmalige abdij Onze Lieve Vrouw van Nazareth in de omgeving van
Lier. Bij het schrijven van de Vita leefden in de abdij nog
verschillende zusters die Beatrijs persoonlijk gekend hadden. Ook over
de kinderjaren van Beatrijs is de biograaf goed ingelicht, want twee
zussen van haar verbleven in dezelfde abdij. Bovendien heeft de auteur
een beroep kunnen doen op de persoonlijke geschriften van Beatrijs. Op
de 'Seven maniren van minne' na, zijn die overigens allemaal verloren
gegaan.
1200: Tienen Beatrijs werd geboren in het jaar 1200 in Tienen.
Daarom spreekt men ook wel van Beatrijs 'van Tienen'. Haar vader,
Bartholomeüs, was een welgesteld burger en een diepgelovig man. Ook
echtgenote Geertrui wordt in de Vita heel godvruchtig genoemd. Het was
een gelukkig gezin, met zes kinderen, waarvan Beatrijs de jongste was.
Beatrijs was een hoogbegaafd kind dat al heel jong door haar moeder onderwezen
werd in lezen en schrijven. Geertrui stierf echter toen de kleine
Beatrijs nog maar zes jaar oud was.
1206: Bij de begijnen van Zoutleeuw Om de opvoeding zo goed
mogelijk te verzekeren bracht haar vader haar naar de
begijnengemeenschap van het nabijgelegen Zoutleeuw. Tegelijk kon ze
aansluiten bij de lessen die op de middelbare school van Zoutleeuw
gegeven werden. Dit verblijf duurde al bij al ongeveer een jaar, en
Beatrijs heeft er de beste herinneringen aan bewaard. De begijnen zelf
waren gecharmeerd van het aantrekkelijke, bescheiden meisje.
1216: Professie in de abdij van Bloemendaal Na een korte tijd
thuis te Tienen ging Beatrijs op school in de abdij van Bloemendaal te
Erkel (Archiennes) nabij Waver. Haar vader was financieel beheerder van
de pachtgelden en andere inkomsten van deze abdij en kende bijgevolg de
gemeenschap goed. Het was een benedictinessenabdij die onder leiding van
abdis Genta en met de steun van Beatrijs' vader, overging naar de
cisterciënzerorde (in 1218 officieel goedgekeurd). De kleine Beatrijs
kreeg er onderwijs en religieuze vorming. Het verblijf in de gemeenschap
beviel haar blijkbaar erg goed, want toen ze de leeftijd van vijftien
jaar bereikt had, vroeg ze om novice te mogen worden. Dat deed ze niet
zonder aarzeling. Ze wist dat ze nog te jong was om tot het noviciaat
toegelaten te worden. Bovendien vroeg ze zich af of ze geestelijk in
staat zou zijn om dit leven ten einde toe vol te houden. De communiteit
was erg onder de indruk van de grootmoedigheid van het jonge meisje en
van de vurigheid van haar verlangen. Ze werd toegelaten. Een jaar later,
op 16 april 1216, mocht Beatrijs haar professie doen.
1217: Opleiding tot schrijver en illustrator van manuscripten
Blijkbaar was het te Bloemendaal reeds duidelijk geworden hoe begaafd
Beatrijs was. Ze werd voor een jaar naar de abdij van Rameia (La Ramée)
te Jauchelette (ten zuiden van Geldenaken) gestuurd om er manuscripten
te leren schrijven en verluchtigen. Dit verblijf is voor Beatrijs om
twee redenen van groot belang geweest. Allereerst houdt zulk een
opleiding een intense confrontatie in met de geestelijke betekenis van
de geschreven traditie. De illustraties van manuscripten zijn immers
niet zomaar versieringen. Ze hebben de bedoeling om de inhoud van de
tekst te verduidelijken en op een diepere manier in de geest te laten
binnendringen. Dit betekent dat Beatrijs niet alleen haar artistieke
vaardigheden heeft kunnen ontwikkelen, maar dat het voor haar vooral een
geestelijke vormingstijd is geweest. Het evangelie, de liturgie, en
teksten uit de traditie van de kerk moest ze kennen, om die zo goed
mogelijk te kunnen neerschrijven en te verluchtigen. Een tweede reden
waarom dit verblijf voor haar van groot belang is geweest, is de
vriendschap die zij sloot met Ida van Nijvel. Ida was slechts drie jaar
ouder dan Beatrijs, maar toch werd ze door Beatrijs als haar geestelijke
moeder beschouwd.
1225: Maagdenwijding Wanneer Beatrijs terugkeert naar
Bloemendaal, hadden haar vader en haar broer Wicbert zich als
lekenbroeders verbonden met de abdij. Twee van haar zussen, Christina en
Sybille, traden in 121 5 toe tot dezelfde abdij. In 1221 is er een
nieuwe stichting vanuit Bloemendaal klaar te Oplinter (ten noorden van
Tienen), Maagdendaal genoemd. Beatrijs wordt, samen met haar vader,
broer en zussen, en met enkele andere leden van de communiteit van
Bloemendaal, naar de nieuwe stichting gezonden. In deze abdij ontvangt
ze omstreeks 1225 uit handen van de bisschop de maagdenwijding.

1237- 1268 Abdis van de Nazareth abdij in Lier Enkele jaren
later werd er opnieuw aan een nieuwe stichting gedacht, waarvoor de
vader van Beatrijs zich weer inzette. Het klooster van Oplinter begon
gebouwen op te trekken in de omgeving van Lier, en weer is Beatrijs
bestemd om te verhuizen. In mei 1236 is het gebouw .klaar, maar na
enkele jaren blijkt dat de bouwwerken moeten overgedaan worden op een
hogere en minder vochtige locatie, aan de andere kant van Lier. Intussen
was Beatrijs in 1237 tot priorin verkozen van de abdij Onze Lieve Vrouw
van Nazareth te Lier. Ze zal die taak blijven vervullen tot aan haar
dood. Over de jaren die dan volgen zijn we minder goed geïnformeerd.
In de levensbeschrijving worden weinig uiterlijke gebeurtenissen
verhaald. Misschien zijn die er ook helemaal niet geweest. We weten
alleen dat op kerstmis van het jaar 1267 Beatrijs ziek werd en dat ze
een halfjaar later, in augustus 1268, overleed. Ze was toen dus
achtenzestig jaar oud.
Het enige bewaard gebleven geschrift van Beatrijs van Nazareth
Hieronder volgen enkele passages uit het boek van 'Dwarsliggers in naam
van God' van Arjan Broers.
Een leerboek Beatrijs dankt haar faam uiteindelijk aan de
manier waarop ze -net als tijdgenote Hadewijch in het Diets- haar
ervaringen op schrift stelt. Waarschijnlijk om jonge zusters op de
juiste weg te helpen schrijft ze, vermoedelijk aan het einde van haar
leven, de Seven manieren van minne. Het bijzondere aan dit kleine
geschrift is niet alleen dat het het oudste geheel bewaarde tekst in het
Diets is en het werk van een taalvirtuoze, maar vooral dat het geen
ego-document is. Beatrijs doet nauwkeurig verslag van haar bevindingen,
maar het gaat haar daarbij niet om haar eigen weg. Het gaat haar om de
weg die alle mensen kunnen gaan.
De mens als Gods beeld en gelijkenis Voor Beatrijs is het
groeien in liefde een groeien in de ontmoeting met God. Nadat ze de
extremen van de ascese heeft beleefd, is ze over de mens aanmerkelijk
milder gestemd dan bijvoorbeeld Bernardus van Clairvaux. Net als
Hadewijch is zij ervan overtuigd dat de mens geschapen is naar het beeld
van God, en niet tot in de kern zondig en slecht is, zoals Bernardus
beweert.
Zeven manieren om lief te hebben In de eerste drie manieren
moet de mens zelf aan de slag. Ten eerste om de begeerte te ontdoen
van alle ballast aan verlangens en wensen die in een mensenhart leven.
In de tweede manier wordt dat zelfonderzoek toegespitst op het besef dat echte
liefde zichzelf genoeg is en geen beloning verwacht. Dit kan vooral
geoefend worden door oprecht liefdevol om te gaan met mensen in nood.
Als dit gebeurd is, gaat alle aandacht uit naar het conflict dat in de
begeerte naar God besloten ligt. In de derde manier wordt de mens
bijkans gek van verlangen naar Zijn antwoord.
De vierde en vijfde manier horen bij elkaar. Het antwoord van God begint
binnen te dringen als een warm en zoet gevoel, dat euforisch kan maken
(de vierde manier), maar ook pijn kan doen (de vijfde manier). Deze
'minnestorm' bevat het antwoord van God, maar is een bijzonder heftige
ervaring en moet steeds opnieuw veroverd worden.
De zesde manier betreft de voltooiing van de liefde in en met God, voor
zover dit op aarde mogelijk is. De gelovige is minnares en beminde
geworden en heeft spontaan lief, zonder zichzelf geweld aan te doen. Een
kenmerk van deze staat is ook de ongekende wil en durf om te spreken en
te handelen.
De zevende manier tenslotte bracht latere geleerden zo in verwarring.
Leven op aarde houdt wel ooit op, maar terwijl het duurt, houdt het niet
op. Beatrijs beseft dat en weet dat volledige verlichting hier op aarde
onmogelijk is. Want ook al heeft de ziel nu deel gekregen aan God, het
verlangen om dat ooit helemaal te kunnen, helemaal op te gaan niet in
het liefdesgevoel, maar in de Geliefde zelf, blijft bestaan. Het is dit
zuivere verlangen, zo schrijft Beatrijs, dat het hoogste is dat een mens
kan bereiken.
|