Simone Weil 1909-1943
Simone Weil is bekend als filosofe, lerares, arbeidster in een fabriek
en op een boerderij, stakingsleidster, anarchiste, verzetsvrouw en
mystica. Hieronder vindt u:
-
Feiten uit het leven van Simone Weil
-
Simone Weil: een dwarsligger van God.
Feiten uit het leven van Simone Weil
Het onderstaande overzicht is vertaald en bewerkt voor internet uit:
'Simone Weil' door Robert Coles, Addison-Wesley Publishing Company 1987.
1909 Simone wordt op 3 februari geboren in Parijs in het gezin van dokter
Bernard Weil en zijn vrouw Selma. Ze hebben dan al een zoon André,
geboren in 1906. Bernard en Selma zijn joods, maar niet praktiserend.
1914 Vader Bernard wordt direct na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog
gemobiliseerd als legerarts in het franse leger. Telkens als hij een
andere standplaats krijgt, verhuist zijn gezin met hem mee.
1916-1919 Simone is gedurende drie maanden leerling van de
basisafdeling van het Lycée Montaigne in Parijs. Vader Bernard moet naar
Laval. Zijn gezin gaat mee en daar bezoekt Simone de basisafdeling van
het meisjeslyceum.
1919 Enkele maanden na het einde van de
Eerste Wereldoorlog keert de familie Weil terug naar Parijs. In
September gaat Simone naar het Lycée Fénelon.
1924-925
Simone wordt toegelaten tot de baccalaureaats-opleiding in de filosofie van
het Lycée Duruy en slaagt.
1925-28 Studie filosofie bij
de filosoof Alain (pseudoniem van Emile-Auguste Chartier).
1928-1931 Studie filosofie aan de Ecole Normale Supérieure. Bij het
strenge toelatingsexamen voor deze universiteit eindigt zij als eerste.
Simone de Beauvoir eindigt als tweede.
1931 Simone studeert af
als doctor in de filosofie en gaat lesgeven aan het meisjeslyceum in Le
Puy.
1932-1933 Simone doet mee aan een demonstratie van
werkeloze arbeiders. Op last van het schoolbestuur (voor openbare
scholen in Frankrijk landelijk geregeld) wordt ze naar een meisjeslyceum
in Auxerre gestuurd. Daarna naar het meisjeslyceum in Roanne.
1933
Simone neemt op 3 december actief deel aan de mars van de mijnwerkers,
georganiseerd door de Unie van de Verenigde Mijnwerkers. Op 31 december
ontmoet ze in dat verband Trotsky.
1934-1935 Simone neemt
verlof als lerares en gaat werken in Parijs als fabrieksarbeidster bij
het elektriciteitsbedrijf Alsthom . Hierna baantjes als
fabrieksarbeidster in Billancourt en bij de Renaultfabriek in
Boulogne-Billancourt. Ze leeft ascetisch ('net zoveel als een arbeider
te eten krijgt'. Haar gezondheid verslechtert. Terug in het onderwijs,
nu in Bourges.
1936 Simone vertrekt naar het republikeinse
front in de Spaanse Burgeroorlog. Ze sluit zich aan bij een
anarchistische groep in Aragon. Op bivak enkele weken later, stapt ze in
een pot met kokende olie. Ze gaat naar het ziekenhuis in Sitgès voor
behandeling van haar ernstige brandwonden.
1937 Tijdens haar
ziekteverlof in het schooljaar 1936-1937 bezoekt ze in het voorjaar
Italië. In Assisi, in een kapel die veel bezocht werd door de heilige
Franciskus, voelt ze zich 'gedwongen' te knielen en te bidden. In het
najaar gaat ze lesgeven aan het meisjeslyceum in Saint-Quentin, een
arbeidersstadje in de buurt van Parijs.
1938 In januari
opnieuw ziek. Met Pasen bezoekt ze het benedictijner klooster van
Solesmes. Daar ervaart Simone dat 'het lijden van Christus mijn wezen
voorgoed doordringt'.
1939 Zes maanden vakantie op het
platteland bij haar familie om aan te sterken. Terug naar Parijs bij het
uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Ze leest de Bhagavad-Gita voor de
eerste keer.
1940 Na de wapenstilstand Duitsland-Frankrijk
gaat Simone eerst met haar familie naar Vichy, dan (in oktober) naar
Marseille. Daar sluit ze zich aan bij de groep die het literaire
tijdschrift Cahiers du Sud maakt. Simone verzoekt de regering in Vichy
om een nieuwe leraarspost, maar krijgt geen antwoord van de minister van
onderwijs. Ongetwijfeld vanwege de anti-joodse wetten van de Vichy-
regering.
1941 Simone begint aan een studie Sanskriet. Ze
ontmoet de Dominicaan Père J.-M. Perrin, die haar helpt met het vinden
van boerenwerk op de boerderij van Gustave Thibon, een katholiek
schrijver in de Ardèche.
1942 Simone laat haar
notitieboeken achter bij Thibon, vlucht begin mei met haar ouders naar
Casablanca en vandaar met een zeilschip naar New York. Ze wil graag in
het verzet, schrijft brieven naar officiële instanties in Londen en
zeilt in november naar Liverpool. Daar komt ze terecht in een
detentiekamp.
1943 Simone krijgt eindelijk werk als
schrijfster van rapporten bij de Organisatie van Vrije Fransen in
Londen. In een van haar rapporten schrijft ze over 'De behoefte aan
wortels'. In april komt ze in een ziekenhuis terecht, waar blijkt dat ze
aan TBC lijdt. Ze weigert te eten en op 24 augustus sterft ze op
34jarige leeftijd. Ze wordt begraven in Ashford in Kent.

Simone Weil: een dwarsligger van God
Arjan Broers schrijft in zijn boek 'Dwarsliggers in naam van God' een
prachtige lange brief aan Simone Weil. Hij maakt hierin duidelijk dat
hij -zelf een vierendertigjarige- maar moeilijk haar levenskeuzen kan
volgen. U kunt deze brief zelf lezen in zijn boek dat besproken wordt
bij Media. Hieronder volgen uit die brief enkele passages.
Simone Weil (1909-1943) wordt geboren in Parijs, in een welgesteld joods
artsengezin waar religie geen rol speelt. Als ze vijf jaar is, breekt de
Eerste Wereldoorlog uit. Het meisje laat zich kennen als hard en
onbuigzaam, als ze weigert om nog suiker te eten opdat de soldaten er
meer van zouden hebben.
Simone heeft een broer naast wie ze zich
een minkukel voelt. Ze schrijft in het autobiografische Wachten op God:
Toen ik veertien was, kwam ik in een toestand van absolute wanhoop terecht.
Ik heb er toen aan gedacht een einde aan mijn leven te maken omdat ik
mezelf zo middelmatig vond. Mijn broer had zoveel bijzondere gaven. Ik
betreurde dat ik met mijn kleinheid nooit de waarheid zou kunnen
doordringen. Doodgaan leek me beter..... Na maanden van innerlijke
duisternis kwam ik er plotseling achter dat iedere mens, zelfs als hij
gering begaafd is, het rijk van de waarheid kan binnengaan als hij er al
zijn aandacht op richt. En dit rijk van de waarheid staat bij
Simone voor: schoonheid en alles wat onder het goede valt.
Weil blijkt wel degelijk over talenten te beschikken. Ze doet op haar
vijftiende eindexamen middelbare school en gaat filosofie studeren. Daar
valt ze op door haar briljante, maar eigenzinnige geest. Na haar studies
gaat ze lesgeven.
In 1934 echter neemt haar leven een wending,
omdat ze geschokt is door het harde leven van de arbeidersklasse. Ze
krijgt een jaar verlof om als monteur te werken in de autofabriek van
Renault in Parijs. Haar lichaam blijkt echter niet tegen het werk en
de armoede opgewassen. Toch werkt ze door, vaak oververmoeid en met
knallende hoofdpijnen. Later schrijft ze:
Toen ik in die
fabriek werkte en voor al die ogen, zelfs de mijne, niet te
onderscheiden was van die anonieme massa mensen, daalde de smart van
anderen neer in mijn lichaam en ziel.
Na een jaar is Weil
lichamelijk en geestelijk gebroken. Haar ouders nemen haar mee naar
Portugal om te herstellen. Ze schrijft:
Het werken in de
fabriek had me als het ware voorgoed als slaaf gebrandmerkt. In die
ellendige toestand bevond ik mij toen ik in dat Portugees dorpje was.
Het was volle maan en er was een patronaatsfeest op het strand. De
vissersvrouwen droegen in processie kaarsen mee en zongen oude liederen.
Ze liepen langs de boten. Het was hartverscheurend, ik kan het niet in
woorden uitdrukken, zo droef was het. Ineens wist ik heel zeker dat het
christendom bij uitstek een godsdienst van slaven is. Slaven kunnen niet
anders dan christenen zijn, en ik ben er een van.
In 1936
breekt de Spaanse burgeroorlog uit. Weil vertrekt, zoals veel
idealistische jongeren, naar het front in Barcelona. Door een ongeluk
met gloeiend hete olie die ze over zich heen krijgt, moet ze al snel
terugkeren naar Frankrijk. Lichamelijk zou ze nooit meer helemaal
herstellen.
Weil blijft geboeid door het christendom. Ze leest en
zoekt de stilte van kerken op. In 1938, tijdens een verblijf in een
benedictijnenklooster, bemerkt ze voor het eerst de pure kracht van haar
aandacht, een woord dat al bij haar crisis op veertienjarige leeftijd
was komen bovendrijven. Ze schrijft:
Ik had verschrikkelijke
hoofdpijn, maar door met enorme inspanning aandachtig te zijn, was ik in
staat buiten mijn ellendige lichaam te treden en het daar in dat hoekje
te laten lijden. Ondertussen ondervond ik zuivere, pure vreugde in de
schoonheid van de teksten en muziek.
Christen geworden blijft
Weil ongedoopt, uit verzet tegen het kerkelijk instituut. Natuurlijk
stort ze zich aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in het Franse
verzet. Ook werkt ze als landarbeider, waarbij ze zich afbeult en bijna
alle voedsel weigert. Onder druk van haar ouders reist ze met hen mee
naar de VS, om echter onmiddellijk weer naar Europa te vertrekken, naar
Londen. Ze wil verzetsacties uitvoeren, maar wordt gevraagd om colleges
te geven en te schrijven over de toekomst van het na-oorlogse Frankrijk.
Weil produceert een prachtige verhandeling, maar werkt zó hard en eet zo
weinig dat ze na enkele maanden sterft van honger en uitputting. Ze is
dan 34 jaar oud en is in de woorden van een kennis:een schoonheid die
schipbreuk heeft geleden.
|